De aankondiging van dit boek heeft zich gerealiseerd in drie boeken: Christologie van de liefde (2005), Filosofie van de liefde (verwachting 2012) en Filosofie van het Ik (verwachting 2012).

Roland van Vliet is na zijn boek Manicheïsme als het christendom van vrijheid en liefde bezig aan een nieuw filosofisch werk: De filosofie van de liefde: de ongedeelde aandacht (wordt in najaar 2005 verwacht). In onderstaand artikel geeft hij een samenvatting van de inhoud ervan.

‘De liefde laat zich graag zuiver in strengheid benaderen met de negatie van wat allemaal geen liefde is. Dan speelt ze met de toegeworpen bal van bepalingen en gooit net zolang terug totdat de allengs weifelende werper vermoeid wordt en haar alleen nog maar dromerig toelachen wil en pas daardoor ontvankelijk is voor wat zij is.’
(Citaat uit De filosofie van de liefde.)

In de filosofie van de liefde wil ik geen antwoord geven op wat het wezen van de liefde is, maar alleen de voorwaarden voor haar verwerkelijking bespreken. Deze vraag naar de voorwaarden beantwoord ik in De filosofie van de liefde door verschillende vormen van de liefde in een organische ontwikkeling, die je als mens van deze tijd zou kunnen doormaken, met elkaar te verbinden. Vanuit het inzicht dat de liefde een inwijdingsweg is, wil ik het denken van Boeddha, Mani, Christiaan Rozenkruis en Rudolf Steiner op elkaar afstemmen door naar hen te verwijzen vanuit een eigen filosofische gedachteontwikkeling over de liefde.

Steeds zal ik een fenomenologische beschrijving van de liefde verbinden met de vraag hoe je daadwerkelijk en meditatief de liefde zou kunnen verwerkelijken. In tegenstelling tot mijn onderzoek naar het manicheïsme in mijn vorig boek, dat een wetenschappelijk karakter had, staat in dit nieuwe boek de praktijk van de liefde centraal. Ik heb gezocht naar een moderne toepassing van het manicheische principe van de liefde, dat in de hele wereld uitstroomt en het kwaad kan omvormen. Hier wordt de zelfverwerkelijking tot ‘het andere’ beschreven. Het is een resultaat en de uitwerking van cursussen meditatie die ik de afgelopen jaren gegeven heb en nu in intensievere vorm geef in de Academie voor Persoonlijk Meesterschap en Ethische Communicatie, een mobiel academie op verschillende locaties die ik dit jaar heb opgericht. Want volgens mij is meditatie dan een schaal voor de geest als zij door de liefde gedragen wordt. En het is weer diezelfde liefde waardoor de geest in vrijheid het menselijk handelen kan bevruchten.

Ik en de wereld
Ik ben begonnen met een onderzoek in het boek Genesis en vond daar exegetische aanknopingspunten voor de stelling dat de zondeval noodzakelijk was voor de ontwikkeling van het menselijke zelfbewustzijn en daardoor voor de individuele vrijheid. Doordat de slang het begeren naar het toekomstige en onvervulde – eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad – heeft aangewakkerd, is de mens uit de ‘ongedeelde tijd’ in de ‘gedeelde tijd’ gevallen. En is een bewustzijn ontstaan van degene die begeerde: het zelfbewustzijn is geboren.

Daarna blijkt dat Adam en Eva de ogen geopend zijn: zien elkaar afgezonderd naast elkaar. De slang of Lucifer heeft het goddelijke bewustzijn van de ongedeelde ruimte door de zintuigen naar buiten gedrukt: het bewustzijn van de gedeelde ruimte is ontstaan, waar alles ‘verenkeld’ naast elkaar staat. Daardoor leven we nu in een tijd-ruimtelijk universum van verschijningsvormen. Bewustzijn van de daarachter liggende wereld van het wezen der dingen en ons eigen wezen is hiermee gaandeweg verloren gegaan. Hierdoor worden we als mensen niet meer bepaald door de goddelijke wereldorde, maar kunnen we onze eigen wil bepalen. De subject – object splitsing, het onderscheid tussen ‘ik’ en ‘wereld’, is ontstaan. Nu denk ik dat het essentieel voor de ontwikkeling van de liefde is dat we in een vergankelijke wereld leven waar het ene een afstand ten opzichte van het andere heeft. Doordat we uit de goddelijke eenheid zijn gevallen, waar de goddelijke liefde nog door ons heen stroomde, kunnen we in vrijheid van onszelf uit in liefde tot het andere uitgaan. Liefde veronderstelt een aanvamkelijke afstand voor de uiteindelijke vereniging en eenheid. Deze vereniging ontindividualiseert die geliefden niet. Dat de liefde de zelfzucht doodt, maar de individualiteit behoudt, is ook de gedachte van de Russische filosoof Wladimir Soloviov. Diens Betekenis van de liefde wordt dit jaar in het Nederlands uitgegeven door Uitgerij Damon. Hoe kan de liefde tot bloei komen en het zelfs mogelijk maken dat we de ongedeelde tijd en ongedeelde ruimte en het wezen van alles weer zouden kunnen beleven?

De subject – object splitsing, door Lucifer gevormd, kan eigenlijk pas filosofisch en in werkelijkheid worden opgegeven als het subject zelf tot object van de waarneming wordt. Dan kan de mens zijn eigen wezen ontmoeten en daarmee het wezenlijke van al het andere. Dit betekent dat iedere daad van het bewustzijn die zich subject – object splitsing afspeelt – ik denk iets, ik voel iets, ik wil iets, ik neem iets waar – als zodanig wordt waargenomen. Alle intenties van het ik worden waargenomen: het ik neemt zichzelf zonder bewustzijnsinhoud zuiver waar en komt daardoor tot zichzelf. Dit is de daad van het zuivere gewaarzijn.

Is het mogelijk de schoonheid van de natuur werkelijk tot in het diepst van je vezels gewaar te zijn?
Dit gewaarzijn is ook de innerlijke rust of stilte van het ware zelf of geestzelf. Hier sprak niet alleen Boeddha maar Rudolf Steiner over (zie hoodstuk II van Steiners De weg tot inzicht in hogere werelden). Door dit stille gewaarzijn ben ik vrij van mijzelf, want ik neem mijzelf waar alsof ik een ander ben, terwijl ik toch niet buiten mij zelf ben. Hierdoor kan ik op een manicheische wijze conflicten van mijn bewustzijn tegemoet treden en begrijpen. Ik daal werkelijk in de angst af, zonder ermee vereenzelvigd te zijn, ik kan daardoor sie angst werkelijk ongedeeld beleven, waardoor mijn geest tot een volledig werkzaam inzicht over het wezen van de angst kan komen en er vrij van kan worden.

De geboorte van deze ongedeelde aandacht voor alles wat zich in mijn bewustzijn voordoet, maakt het mogelijk dat de geestelijke substantie van het geestzelf zich kan uitstorten in de gestalte van deze innerlijke toeschouwer, die zonder enige sympathie of antipathie alleen maar zuiver gewaarzijn is. Nu kan het zich voordoen dat in dit ongedeelde gewaarzijn de ongedeelde tijd als het eeuwige nu en de ongedeelde ruimte als de etherische wereld beleefd worden. Er onstaat in dat zuiver gewaarzijn voor alles wat zich in de werkelijkheid voordoet de schaduwen van mijn bewustzijn en de schoonheid van de natuur waar zelfzucht en het zelfbeeld gestorven zijn, een intens gevoel beleven van de liefde die vanuit de etherische wereld aanstroomt en de mens met nieuwe levenskrachten spijzigt. Een aanhoudende ongedeelde aandacht, als die intentie van het ik, waarbij het ik zichzelf waarneemt en reinigt, is de kracht van het onpersoonlijke mededogen. Ondanks de ongelofelijke waarde hiervan zag ik mijn eigen leven dat deze ongedeelde aandacht aan een tekort aan mogelijkheden tot de persoonlijke ontmoeting leed. In het esoterisch christendom vond ik de noodzakelijke aanvulling.

Voetwassing
Want in deze ongedeelde aandacht is de liefde van de eenheid door een alomtegenwoordige waarneming. Deze liefde heeft hierin niet het vermogen om de uniciteit van de ander te bereiken. Daar is een geconcentreerd voelen en ook denken voor nodig. Daarom kan ik in een organische ontwikkeling het mededogen van Boeddha met de voetwassing van Christus verbonden worden. In het beeld van de voetwassing ga ik uit tot het wezen van de ander, waar ik het oneindige in de ander in een zuiver voelen van sterke eerbied kan beleven, zoals Levinas het uitdrukte.
In het ‘de ander uitnemender achten dan mijzelve’ , leg ik het brandpunt van mijn bewustzijn bij de ander, zonder enige vorm van zelfminachting, want het brandpunt ligt in deze daad van de liefde niet bij mijzelf. Door een daadwerkelijk meeleven en meevoelen met de ander, kom ik tot een persoonlijke vorm van liefde.

Is het mogelijk dat je door een werkelijk voelen van het geestelijke wezen van de ander, je door de blik van die ander kunt laten openbreken, dat al je beperkte beelden aan zijn of haar voeten vallen?

Dit zien we ook in het manicheisme. Een persoonlijke onzelfzuchtige liefde tot ieder wezen, tot de lijdende wereldziel in ieder die of plant: medelijden in de zuivere betekenis van het woord. Hier is het mogelijk om de ongedeelde aandacht te richten op de ander en daardoor tot een persoonlijk voelen van de ander te komen. Zo kan een ‘syzygische relatie’ ontstaan. Syzygos betekent hemelse echtgenoot. Twee mensen kunnen gericht zijn op de Syzygos of de toekomstige mens in de ander. Gericht zijn op het goddelijke wezen van de ander rechtvaardigt altijd de liefde tot de ander en van hieruit kan de persoonlijkheid van de ander en ook zijn of haar schaduwbeeld worden opgenomen. Liefde voor het onvolmaakte, gebaseerd op het besef dat de ander een hoog geestelijk wezen in ontwikkeling is. Ik denk dat zo’ n voetwassing tot in de verre toekomst de eigenlijke basis zal zijn voor alle sociale vernieuwing. In het ‘niet ik, maar Christus in mij’, dat overgaat in het ‘niet ik, maar Christus in de ander’, wordt de levensgeest, het vernieuwde etherlichaam in de mens en het Nieuwe Jeruzalem in de samenleving opgebouwd. De ongedeelde aandacht gaat harmonisch over in het persoonlijk doorvoelde medelijden: deze ongedeelde aandacht geeft de zelfkennis en innerlijke vrijheid voor dit medelijden, en dit medelijden geeft aan de ongedeelde aandacht een geveolsverdieping en de mogelijkheid van een puur persoonlijke ontmoeting.

Dan is er het zuivere denken de liefde voor de waarheid, die waarheid die zelfs tot in de wereld van de geest kan voeren. In de Chymische Hochzeit is het moment prachtig beschreven hoe Christiaan Rozenkruis over het meer naar de Toren van Olympus vaart en dan hoort hoe de nimfen de ode aan de liefde zingen! Ik denk dat je daar dit uit kunt begrijpen: door de liefde is het mogelijk dat de oude kenkrachten kunnen worden omgevormd in nieuwe kenkrachten. Alleen door de liefde kan de wereld van de geest zich openbaren. Het imaginatieve, inspiratieve en intuitieve denken, waar Rudlof Steiner over spreekt in verband met een verdere ontwikkeling van de scholingsweg van het Rozenkruis, komen tot stand door liefde voor de wezens achter alle verschijningsvormen. Ook hier zie ik hoe de ongedeelde aandacht de meditatieve basishouding is voor het uiteindelijke schouwen. Werkelijke innerlijke rust is de zelfwaarneming in het bewustzijn. De zelfwaarneming is de kern van de ongedeelde aandacht: de punt in de cirkel van aandacht voor de gehele (verdere innerlijke en uiterlijke) omgeving. De ongedeelde aaandacht maakt. het intuitieve denken in de hoogste betekenis mogelijk: de bewuste leegte en een zodanige volledige liefde voor het andere dat je het andere in jezelf gaat beleven en daardoor kunt kennen. Rudolf Steiner schrijft hierover in Imaginatie, inspiratie, intuitie, opgenomen in het boek Meditatie.

Het belven van de ongedeelde tijd en ruimte in de ongedeelde aandacht, gaan in deze liefde voor de waarheid over in het concreet aanschouwen van het ene geestelijke wezen ten opzichte van het andere. Het schouwen van de etherische Christus, voor zover dat uit eigen activiteit mogelijk is, heeft ook de boeddhistische schaal van de ongedeelde aandacht en innerlijk stilte nodig als drager. Zo beschouw ik ook het graalchristendom: Boeddha in de mens als schaal voor Christus in de mens. Rudolf Steiner wees erop hoe ook Boeddha heeft doorgewerkt in de nathanische Jezus, die later de drager van Christus werd. Meer hierover is te vinden in Steiners voordrachten over het evangelie volgens Lukas.

Tegenwoordigheid van geest
Zoals ik Boeddha zou willen karakteriseren als het universele luisteren of de vrouwelijke pool van eeuwige ontvankelijkheid en onbevangenheid, zo kunnen Zarathoestra, Fichte en Nietzsche gekarakteriseerd worden als het universele spreken of de mannelijke pool van de scheppende geest. Daarom denk ik dat het bij de zelfverwerkelijking van de mens van belang is beide polen tot ontwikkeling te brengen. Het boek ‘Filosofie van de vrijheid’ van Rudolf Steiner vertegenwoordigt naar mijn idee in hoge mate de laatste pool: door de werkelijke vrijheid dat ik vanuit mijn eigen denken een voorstelling als motief aan mijn wil ten grondslag leg, kan ik in het zuivere willen liefde voor de daad hebben. Dit is de juiste zelfliefde van de persoonlijke ontwikkeling, waar Aristotoles al over sprak, waardoor de liefde door het handelen in de wereld kan werken en tot een nieuwe cultuur van menselijke waarden kan komen, waar de existensiele vragen van de behoeftige medemens in een verantwoorde zorg kunnen worden beantwoord. Hier zie je duidelijk hoe de vrijheid als gevolg van de zondeval van de voorwaarde van ontwikkeling van de liefde is. Alleen als ik iets doe, omdat ik het wil doen omdat ik zelf zie dat het goed is, geeft mij de volledige betrokkenheid van mijn persoonlijkheid in mijn eigen vrije wil en is daardoor in de volledigheid de voorwaarde voor de volledige beweging van de liefde. En ook in die filosofie van de vrijheid blijkt de ongedeelde aandacht van belang te zijn als je wilt leven naar die filosofie. Daardoor is het mogelijk een volledige waarneming te hebben van de situatie, waarin een door mij zelf gevonden morele intuitie kan worden ingevoerd.Daar door heb ik ook de innerlijke vrijheid om me niet door mijn karakter of emoties te laten leiden, maar om een dergelijk inzicht te vinden. De ongedeelde aandacht is niets anders dan de tegenwoordigheid van geest en in de hoedanigheid van het zuiver gewaar zijn niet anders dan het beheer over denken, voelen en willen, waardoor een zuiver voelen en zuiver willen mogelijk wordt.

Offer
Als laatste bespreek ik in mijn boek de manicheische liefde die het kwaad kan omvormen door een liefde-offer in het sociale leven. Je kunt zeggen: deze liefde komt tot uiting in de ongedeelde aandacht, die de meest actuele vorm van de meest subtiele zelfkennis mogelijk maakt om het ‘menschliche, all zu menschliche’ in mijzelf boven te komen en mij kan verbinden met de totale omgeving, en die in de beweging van de voetwassing tot het beleven van de meest induviduele van het individuele in de ander kan over kan gaan, en in de liefde voor de waarheid de geest kan schouwen en in de liefde voor de daad de cultuur kan vegeestelijken en verchristelijken. Is dan de kroon van die liefde niet, dat het uiteindelijk mogelijk is mijzelf te offeren voor mijn medemens of voor het kwade dat niets anders dan het gevallen goede is?

Dit is de inhoud van het manicheische idee van het christelijke boddhisattvaschap: ik ben bereid de lijdende mensheid, ook al diegenen die tot het kwaad vervallen zijn, te dienen en te helpen in hun ontwikkeling tot het goede tot aan het einde der tijden?

Dit is het offer van de zuiver liefde, dat waarnemen, denken, voelen en willen overstijgt. Dit is het beeld van Christus in de mens: ernaar te streven de mensheid te zijn en ernaar te streven te handelen alsof je de gehele mensheid bent!

 

(Dit artikel van Roland van Vliet is eerder gepubliceerd in: Motief – Tijdschrift voor Antroposofie, nummer 45, oktober 2001.)

Reacties zijn gesloten.