Vanuit bewustzijnsfenomenologisch onderzoek is de Filosofie van het Ik geschreven. Het Ik dat je door zelfwaarneming in het bewustzijn kunt vinden en dat ieder moment kan denken, voelen, willen en waarnemen: ‘ik denk deze gedachte’, ‘ik voel deze emotie’, ‘ik wil dit bewerkstelligen’ en ‘ik neem dit ding waar’, noem ik het filosofische Ik. Met het Filosofische Ik – dat Aristoteles de Onbewogen Beweger noemt: die niet door iets ander bepaald hoeft te zijn dat door zichzelf – is verbonden het denken over het denken, waardoor je een gedachte in een emotie of de wijze waarop je denkt op waarheid kunt onderzoeken of zelfreflectie. Het Filosofische Ik is het scheppende en zich vernieuwende Ik.

De resultaten van het Filosofische Ik beleef ik in mijn ziel of in mijn persoonlijkheid of in dat wat ik het Empirische Ik noem. Hierin zijn al mijn ontstane inzichten, gedachten, kennis, meningen, gevoelens en emoties, wils- en begeertewerkingen, karakter en gewoontepatronen, herinneringsvoorstellingen. Ik noem dit niet het ‘Lager Zelf’, omdat dat een degradatie inhoudt. In een eenzijdig spiritualistisch denken zoek ik het ‘Hoger Zelf’ en moet dan het ‘Lager Zelf’ overwinnen en dan wordt met het ‘Lager Zelf’ of ‘Ego’ ook vaak het Filosofische Ik bedoeld. Dan verlies ik in deze (‘luciferische’ in het denken van Steiner) spiritualistische eenzijdigheid mijn vrije denken en wilsbepaling (Filosofische Ik) en ook de waarde van mijn mens-zijn of persoonlijkheid (Empirische Ik). Ik zou het Empirische Ik willen noemen: ‘het domein van verwerkelijking’ in een positieve betekenis. Zeker is het zo dat die verwerkelijking eruit bestaat dat de onvrije begeertekrachten en het egocentrisme door het Filosofische Ik worden herkend en worden omgevormd tot vrije wilskrachten en een morele verhouding tot de ander. Het Empirische Ik wordt in de persoonlijkheidsontwikkeling eerst ook door de omgeving gevormd: ik ontleen aanvankelijk mijn zelfbeeld aan de omgeving. Ik internaliseer onbewust dit zelfbeeld. Dit zelfbeeld is het Empirische Ik dat als zodanig onvrij is. Later kan ik met het Filosofische Ik mijn eigen zelfbeeld bepalen en leren dit met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Door deze laatste aktiviteit wordt het Empirische Ik vrij gemaakt. Vrijheid is zowel ‘de vrijheid tot’ (de vrije wil) als ook ‘de vrijheid van’ (innerlijke vrijheid). Vrijheid betekent dat het Empirische Ik niet het Filosofische Ik gevangen neemt in zijn onvrije strategieën, maar dat het Filosofische Ik leidinggevend wordt. Het filosofische Ik heeft door het vrije denken de mogelijkheid om de wil vrij te bepalen, daardoor kan ik mijn persoonlijkheid innerlijk vrij maken. Dat gebeurt ook in de ongedeelde aandacht. De intelligentie in de ongedeelde aandacht is met het Filosofische Ik verbonden. Behalve dat er sprake is van een eenzijdig spiritualisme, is er ook een eenzijdig materialisme. Deze laatste houding zegt dat de mens nu eenmaal uit het verleden geworden is, uit de genen en uit de ervaringen die het in het verleden heeft meegemaakt en dat er geen sprake van vrijheid kan zijn. In deze houding wordt het Empirische Ik centraal gesteld en daardoor het Filosofische Ik ontkend. Sartre zegt dan dat als je zegt dat je eenmaal zo bent en niet veranderen kunt, je te kwader trouw bent naar jezelf. Hij bedoelt daarmee te zeggen – zoals we hebben gezien – dat je de transcenderende kracht van het Filosofische Ik ontkent hebt. Ook in deze materialistische (‘ahrimaanse’ in het denken van Steiner) eenzijdigheid wordt het Filosofische Ik gevangen genomen. Vrijheid is alleen mogelijk als het Filosofische Ik zichzelf leert kennen en uit zijn eigen vrijheid handelen gaat. Het eenzijdig spiritualisme en materialisme doven het vuur van het Filosofische Ik uit, waardoor de mens zijn wezenlijkheid; dat is zijn vrijheid verliest.

Als derde Ik zou ik willen onderscheiden het Pneumatische Ik of wat wel het ‘Hoger Zelf’ genoemd is, maar welke terminologie ik om bovenstaande eenzijdigheid niet wil gebruiken. ‘Pneuma’ betekent adem of geest. Als je het Filosofische Ik zuiver waaneemt dat onstaat het beleven van het Ik Ben; dat is kenmerkend voor de ongedeelde aandacht. In de Ik Ben beleving kan het Filosofische Ik in een direkte verbinding komen met zijn hogere octaaf in de geestelijke wereld: het Pneumatische Ik. In de ongedeelde aandacht is dit als een geestelijk vuur en intensiteit van ontroering en compassie te beleven. Het Pneumatische Ik kan aan de mens imaginaties, inspiraties en intuïties schenken.

Vrijheid volgens de Filosofie van het Ik betekent dat het Filosofische Ik als kunstenaar zelf begrips- of handelings-intuïties kan halen uit het Pneumatische Ik: door het Pneumatische Ik geïnspireerd kan worden, om deze te verwerkelijken in de persoonlijkheid; dat is het domein van verwerkelijking of het Empirische Ik of de mens als kunstwerk dat juist sociale kunst kan zijn.

 

(Dit is een korte samenvatting van het filosofisch onderzoek naar het Ik van de mens of De filosofie van het Ik dat elders in zijn geheel is gepubliceerd.)

Reacties zijn gesloten.