Na een periode van zwijgzaamheid, in het jaar 240 op zijn 24e jaar, zegt Mani uiteindelijk tot de Joods-Christelijke Elchasaïten, (bij wie hij zijn jeugd doorgebracht had,) dat zij zich niet houden aan de geboden die de Heiland geleerd heeft. Christus heeft met reinheid niet de reinheid bedoeld die ontstaat door het dagelijks dopen van het lichaam in het water van de rivier, maar de reinheid die ontstaat door de Gnosis; door het scheiding maken van licht en duisternis in de menselijke geestziel. Mani houdt de Elchasaïten voor dat zij niet meer leven naar de leer van de inspirator van hun eigen beweging, Alchasaios, want die had in zijn eigen leven ondervonden dat de aarde het vlees en bloed van de Christus is. Terwijl de Elchasaïten in de veronderstelling zijn met hun dooppraxis Christus te dienen, weten zij niet dat, doordat zij het kwaad niet primair in de eigen ziel overwinnen, maar aan het water overgeven, zij de aarde als het lichaam van de Christus beschadigen.

De woorden van Mani hadden voor hemzelf een onverwacht effect: hij was genoodzaakt de vertrouwde gemeente van de Joods-Christelijke Elchasaïten onmiddelijk te verlaten. De Elchasaïten hadden geconstateerd dat Mani blijk had gegeven voorkeur te hebben voor het GrieksChristendom van Paulus, die in hen ogen afgeweken was van het ware geloof. Het is aannemelijk te veronderstellen dat Mani bij deze oriëntatie ook de filosofie van Marcion en Barsesanes heeft leren kennen.
Om zijn eigen leer te verkondigen, reist Mani van Armenië naar India en van India naar Perzië, waar hij aan de pas gekroonde keizer Sâpûr I een compendium van zijn denken aanbiedt: de Shâbuhragân. Het is opvallend dat in dit (in het Middel-Perzisch geschreven) werk de eschatologische Jezus beschreven wordt met de woorden uit het evangelie van Matteüs over het Jongste Gericht.
Daarnaast kan vastgesteld worden dat door het feit dat de naam van de Manicheïsche godsgestalte Jezus vertaald is met de naam van één van de aspecten van de Zoroastrische godsgestalte Ahoera Mazdao, het Zoroastrisme door Mani verchristelijkt is. Mani zegt hiermee impliciet dat de profetie van Zarathoestra, die stelt dat de Verlosser uiteindelijk tot de aarde zal afdalen, in Jezus Christus tot vervulling is gekomen.

Hierdoor en vooral door het feit dat Mani tijdens zijn jeugd bij de Elchasaïten in zijn hele zielegezindheid Christus op de voorgrond had geplaatst, wordt de conclusie gerechtvaardigd dat het historisch Manicheïsme geen “Perzische fabel” is, zoals Augustinus proclameerde,
(hoewel hij anderzijds van de Christelijke deemoed van de Manicheeërs onder de indruk was,) en nog vóór de ontdekking van de Keulse Mani-Codex in 1969 werd aangenomen, maar een Christelijke oorsprong heeft.
Het is ten aanzien van de belangrijke archeologische vondsten van Manicheïsche teksten in deze eeuw, een merkwaardig gezichtspunt te noemen, dat in de Manicheïsche Preek van de Grote Strijd wordt vermeld dat het gehele corpus Manichaeica verloren zal gaan, maar ook weer geheel teruggevonden zal worden.

Het Manicheïsme is een kosmologische Christologie te noemen waarin Zoroastrische, Griekse, Boeddhistische, Joodse en Joods-Christelijke elementen zijn opgenomen. Het Manicheïsme als bewust syncretisme is het resultaat van de intentie van Mani om mensen met een geheel verschillend religieuze achtergrond van West-Europa tot in Oost-Azië, in staat te stellen Christus, als Verlosser van de innerlijke Christus, te kunnen aannemen. Bovendien zou door de Manicheïsche Christologie duidelijk kunnen worden dat Christus de “Vader der Lichtapostelen” is, waardoor representanten van de wereldgodsdiensten, als de uitdrukking van de leer van Zarathoestra, Boeddha en de historische Jezus, elkaar in broederschappelijkheid tegemoet zouden kunnen treden, omdat begrepen wordt dat al deze in verschillende tijdperken optredende Lichtapostelen uiteindelijk gezondenen zijn van de ene Christus in de bovenzinnelijke wereld.
Deze elementen uit de grote godsdiensten zijn evenwel geen grondelementen, maar stijlelementen van het Manicheïsme. Deze stijlelementen zijn door Mani op een geheel zelfstandige wijze in de Manicheïsch-Christelijke synthese getransformeerd, doordat zij als begrippen gehanteerd werden die de openbaring die Mani ten deel was gevallen tot uitdrukking brengen.
De kracht van Mani’s spreken bij de Elchasaïten was namelijk de vrucht van de openbaring van zijn geestelijke wederhelft of Syzygos, die hem korte tijd daarvoor tot schouwen had gebracht van de vijf Lichtvaders in de hemelse gebieden en hem de mysteriën van de grenzeloze hoogten, de mysteriën van de ondoorgrondelijke diepten en het weten omtrent zijn geestelijke afstamming (in relatie tot de Syzygos) en zijn goddelijke opdracht had kunnen openbaren.
Deze Syzygos is niet vergelijkbaar met de Syzygos van enig ander Lichtapostel, zoals de voorgangers van Mani: Adam, Seth, Sem, Enosch, Henoch, Abraham, Lao Tse, Zarathoestra, Boeddha, Hermes Trismegistos, Plato of Paulus. In oosterse termen kan gezegd worden dat door het feit dat een Syzygos in een Lichtapostel doorwerkt, deze mens een Boddhisattva is. De Syzygos van Mani heeft evenwel een hogere geestelijke status omdat inherent met deze Syzygos de Parakletische Geest verbonden is: de Heilige Geest of de Trooster, die Jezus Christus beloofd heeft te zullen zenden. De opdracht van Mani is als een vervulling van die belofte te beschouwen en Mani noemt zich dan ook een apostel van Jezus Christus. De Syzygos van enig ander Lichtapostel is alleen een emanatie van de Heilige Geest, maar de Syzygos van Mani is als die Heilige Geest zèlf te beschouwen, die een direkte emanatie van de Christus is. Mani noemt zich dan ook een “enige Manichaios”, als een bemiddelaar van het levende Manna (CMC bd. 19, p. 72), die als de “Zegel der Profeten” een voltooiing brengt van de leer van de aan hem voorafgaande Lichtapostelen.

In het Psalm-boek

wordt ten aanzien hiervan evenwel één uitzondering genoemd: de Syzygos van de Lichtapostel Noach wordt, precies als bij Mani het geval is, eveneens als de Heilige Geest zèlf beschouwd. De geestelijke status van Noach en Mani moet tussen de geestelijke status van de Christus en die van de Lichtapostel in gezocht worden. Als Noach en Mani geen Boddhisattva’s zijn, geeft (in een godsdienst-vergelijkend ondezoek) de oosterse terminologie ons dan misschien een aanwijzing hoe de geestelijke status van Noach en Mani genoemd zou kunnen worden? In het Brahmaans Wetboek Manavadharmasastra verschijnt de figuur van Noach met de naam Manoe Vaivasvata als de stamvader van alle menselijke zeden en cultuur. In de Parânas van de Hindoeïsten worden de zogenaamde “Manoe-tijdperken” genoemd, waarin een Manoe als stamvader de geestelijke leiding heeft.

Vanuit dit verband zijn Noach en Mani als stamvaders van grote historische tijdperken te beschouwen. Noach verschijnt dan als de Manoe van de periode die we in het Oude Testament beschreven vinden. Mani was het er evenwel alles aan gelegen om de uniciteit van het Nieuwet.o.v. het Oude Testament te accentueren. Heeft Mani, (welke naam net zoals de naam “Manoe” “belichaming van de Heilige Geest” betekent,) zichzelf niet, vanuit de inspiratie van de Parakletische Geest, als de Manoe gezien van een nieuw Christelijk tijdperk? Want in de Preek van de Grote Strijd wordt beschreven dat in de eschatologische tijd, vanaf de Opstanding van Jezus Christus tot aan de transfiguratie van de aarde in de Nieuwe Lichtaarde, al degenen die in zichzelf de Nieuwe Mens uit de Oude Mens tot verrijzenis brengen, zich scharen onder de ene Lichtapostel, die, gezien de context, met Mani de Zegel der Profeten geïdentificeerd moet worden.
De kosmologische Christologie van het Manicheïsme, als de begrippelijke verwoording van de bovenzinnelijke openbaring die Mani geschouwd heeft, begint met de Eerste Grote Dag (Kephalaia, Kap. 4), als een vóórwereldlijk aeonisch tijdperk, waarin de Vader der Grootheid omringd is door de twaalf Grote Goden in de hemelruimte. Hierna volgt de Tweede Grote Dag als het vóórwereldlijk aeonisch tijdperk van de pre-kosmische Zon, waarin de Zoon van de Vader zich openbaart in de godsgestalte van de makrokosmische Jezus de Roemrijke, die omringd is door de twaalf Lichtmaagden: Heerschappij, Wijsheid, Overwinning, Overtuiging, Eerbaarheid, Waarheid, Vroomheid, Lankmoedigheid, Rechtmatigheid, Welgezindheid, Gerechtigheid en het Licht.

Tegelijkertijd met deze Tweede Grote Dag in de hoogte vindt symmetrisch tegengesteld in de diepte het verloop plaats van de Eerste Grote Nacht, die als de asynchrone schaduw van de Eerste Grote Dag beschouwd kan worden. Uit dit kosmologische feit dat het vóórwereldlijk aeonisch tijdperk van de Eerste Grote Nacht een tijdperk later dan de Eerste Grote Dag tot ontwikkeling komt in de diepte, kan het ethische adagium geëxtraheerd worden dat het kwaad verschijnt als het goede op de verkeerde tijd en de verkeerde plaats. In deze Eerste Grote Nacht zijn de vijf Duistere elementen: Brand, Walm, Gloeiende Stormwind, Nevel en Duisternis tot aanzijn gekomen. Deze vijf elementen bezitten potentieel vijf overeenkomstige psychische eigenschappen: Domheid, Haat, Ongeloof, Toorn en Begeerte en vijf pneumatische eigenschappen: Duistere Beslissing, Duistere Intuïtie, Duistere Gedachte, Duistere Overweging en Duister Verstand.
Dan volgt de Derde Grote Dag als het vóórwereldlijk aenonisch tijdperk van de pre-kosmische Maan, waarin de Zoon van de Vader zich in de godsgestalte van de Oermens openbaart. In dit tijdperk manifesteert zich de Lichtaarde met de vijf Lichte elementen: Vuur, Lucht, Wind, Water en Licht. De Lichtaarde is omgeven met de overeenkomstige psychische eigenschappen: Wijsheid, Liefde, Geloof, Geduld en Volmaaktheid. Daarmee verbonden zijn (respectievelijk) de vijf pneumatische eigenschappen (als het intelligibele lichaam van de Vader): Beslissing, Intuïtie, Gedachte, Overweging en Verstand.

Tegelijkertijd met deze Derde Grote Dag vindt symmetrisch tegengesteld in de diepte het verloop plaats van de Tweede Grote Nacht waarin uit de Materie als het potentiële kwaad het aktieve kwaad geboren wordt, gepersonificeerd in Satan of Ahriman, de aartsleugenaar. Het aktieve kwaad is niet eeuwig, zoals t.a.v. het Manicheïsme wel beweerd werd, maar heeft in tegenstelling tot het eeuwig Goede een ontstaansmoment (Fihrist). Hierdoor wordt het verondersteld Manicheïsch radicaal dualisme van goed en kwaad gerelativeerd, omdat het kwaad aan de Vader der Grootheid ondergeschikt is. De Vader der Grootheid is in de oervorm van het Manicheïsme vertaald met Zervan uit het Zoroastrisch-Zervanisme, waarin Ahriman en Ahoera Mazdao zonen van Zervan zijn (Widengren). Impliciet kent het Manicheïsme eveneens een krachtig, maar afgeleid dualisme van goed en kwaad en is daardoor als een pre-reflexief monotheïsme te beschouwen. (Deze verborgen structuur in het Manicheïsme als het verchristelijkt Zervanisme, is wederom in het [fenomenologisch gelijkwaardig] middeleeuws Manicheïsme van de Bogomielen en de Katharen te vinden, die zeer waarschijnlijk via de Paulicianen door de Armeense Manicheeërs historisch benvloed zijn.) Als in het Manicheïsme de gedachte kan ontstaan van het “eeuwig kwaad”, is dit eerder op te vatten als het resultaat van (het eerste aspect van) de Manicheïsche theodicee dat het wezen van het kwaad op geen enkele wijze in relatie wil brengen met het wezen van de Vader. Het “eeuwig kwaad” is dan een kentheoretisch “eeuwig kwaad”: de vraag naar de oorsprong van het wezen van het kwaad kan in oneindige regressie gesteld worden; want stel dat Satan een gevallen engel is, door welk kwaad is hij dan gevallen? (enz.).

De Lichtaarde is contemplatief in zichzelf gehuld en wordt door de Vader aan het zicht van de ondermaanse mannelijke en vrouwelijke demonen onttrokken, om te vermijden dat hun duister verterend vuur in begeerte naar het Licht zou worden opgewekt. De demonen zijn in een voortdurende broederstrijd met elkaar verwikkeld. De Satan weet evenwel een glimp van de Lichtaarde op te vangen en wordt hierdoor door nog maar één machtige begeerte vervuld: die heerlijkheid van het Licht te kunnen bezitten. In dit aeonisch wereldtijdperk van de prekosmische Maan begint de Manicheïsche versie van “de Strijd aan de hemel”. De Satan verzamelt zijn krachten en stormt de Lichtaarde met geweld binnen. De engelen doen spoorslags melding van dit incident, dat de integriteit van de Lichtaarde heeft aangetast, aan de Vader der Grootheid.

De Vader moet het gevaar dat de Lichtaarde bedreigt keren, maar Hij kan de Satan niet straffen omdat in de wereld van het Licht alleen maar mildheid is. Doordat mildheid het wezenlijke kenmerk van het Koninkrijk Gods is, spraken de Manicheeërs ook van de Vader der Liefde. De Vader wil geen van de engelen in het strijdperk laten treden en besluit dan om zèlf de Satan terug te dringen. Hij “roept” de Moeder des Levens en deze “roept” de Oermens (de 1e Schepping). “Roepen” wordt in het Manichesme zowel in de betekenis van emanatie als in de betekenis van het tevoorschijn roepen op het wereldtoneel van gebeurtenissen gebruikt. De Oermens, de Zoon waarin de Vader zich aktief openbaart, omgordt zich met de genoemde vijf Lichte elementen met de vijf psychische en pneumatische eigenschappen als “de wapenrusting Gods” en daalt af in de kolkende diepte, waar hij de boosaardige indringer tegenover zich ziet staan. Deze verslaat de Oermens en zijn vijfvoudige Lichtziel wordt door de demonen verslonden. Dit is het thema van de “Zerstückelung” van de Wereldziel. Hierdoor is een vermenging ontstaan van de aetherische Lichte elementen met de materiële Duistere elementen.
Om in eerste instantie de Oermens te redden, “roept” de Vader de Lichtvriend, deze “roept” de Grote Bouwmeester en deze “roept” weer de Levende Geest (de 2e Schepping). De Levende Geest daalt af en richt tot de Oermens de “Roep” die als een scherp zwaard zijn gestalte zichtbaar maakt. De Oermens spreekt het “Antwoord” terug. De Levende Geest brengt (door emanatie) vijf zonen voort: Atlas, Splenditenens, Rex Honoris, Adamas van het Licht en Rex Gloriosus. Hij daalt af tot de bodem van de Duisternis, reikt de Oermens de rechterhand en samen keren zij tot de Lichtaarde terug. Het schijnt dat de oorsprong van het geven van elkaars rechterhand, niet om een handelsovereenkomst te bezegelen, maar om elkaar te begroeten, in dit Manicheïsch beeld gezocht moet worden. De goddelijke hypostasen “Roep” en “Antwoord” zijn sinds die gebeurtenis innerlijke kwaliteiten van de verspreide vijfvoudige Lichtziel van de Oermens geworden, ook “Grote Gedachte” genoemd, als de vaardigheid om op de roep van de Heilige Geest te kunnen antwoorden. De bevrijding van de Oermens is het archetype en de mogelijkheidsvoorwaarde voor de bevrijding van de mensheid en de natuur in de toekomst.
De nederlaag van de Oermens was evenwel schijnbaar, want deze nederlaag had vanuit de Voorzienigheid van de Vader de bedoeling om vanuit mildheid het kwaad uiteindelijk te beteugelen. De nederlaag van de Oermens is feitelijk niet anders dan een groots en allesomvattend liefde-offer. Doordat de wezens van de Duisternis een aan hen vreemd Lichtelement opnamen, werd aanvankelijk hun begeerte gestild, maar gaandeweg worden zij door dit element in hun chaotische bewegingsvrijheid geremd, zodat ten slotte hun satanische macht gebroken zal worden en zij vrijwillig afstand zullen doen van hun veroveringsdrift (om het Licht te bezitten in plaats van het te zijn, zoals H. Jonas formuleerde).

Aan het begin van de Vierde Grote Dag geeft de Vader aan de Levende Geest de opdracht om de wereldkosmos te scheppen. Door de vermenging valt de Vierde Grote Dag van de hoogte geheel samen met de Derde Grote Nacht van de diepte; samen vormen zij ons aeonisch wereldtijdperk, waarin de Zoon van de Vader zich in de godsgestalte van Jezus de Zonneglans zal openbaren. Door de werkzaamheid van het liefde-offer van de Oermens was het mogelijk om de dode materiële substantie van de verdoofde Archonten te scheiden en dienstbaar te maken aan de schepping van de wereldkosmos. Tegelijkertijd zou de lijdende Wereldziel door de schepping uiteindelijk uitgered kunnen worden, omdat door het feit dat het kwaad functioneel in de wereldorde wordt ingepast, het kwaad een belangrijk deel van zijn macht verliest en daardoor de greep van de Duisternis op het Licht wordt verkleind.

De Levende Geest, die vergelijkbaar is met Jahwe uit Genesis, scheidt licht en duisternis als dag en nacht en schept de hemel met tien hemelsferen en de aarde met acht aardrijken. Van de door verontreiniging van de Duisternis vrijgebleven Lichtdelen wordt door de Levende Geest de Zon en de Maan gecreëerd, en van de weinig verontreinigde Lichtdelen na uitzuivering de sterren. Dan ontwerpt de Grote Bouwmeester uit zeer fijne Lichtdelen de Sphaira, een makrokosmisch bevrijdingsuurwerk bestaande uit drie rotae die uiteindelijk alle gevangen en lijdende Lichtdelen, (die gezamenlijk met de naam “Jezus Patibilis” of “lijdende Jezus” worden aangeduid,) moeten bevrijden: het rondcirkelend Rad van de Maan als het Lichtschip van het Levende Water, het groter rondcirkelend Rad van de Zon als het Lichtschip van het Levende Vuur en het nog groter rondcirkelend Rad van de Zodiak. Aan het Rad van de Zodiak zijn de Archonten verbonden die aan elkaar tegengestelde werkingen uitoefenen, die echter door de plaatsing van deze Archonten in dit Rad, (waarvoor Rex Honoris, als één van de vijf zonen van de Levende Geest die een wachtersfunctie hebben, verantwoordelijk is,) geharmoniseerd en daardoor opgeheven worden.

Om dit makrokosmisch bevrijdingsuurwerk in gang te zetten, waardoor de omloop van de tijd in dagen, maanden, jaren en, (voor de mensheid later,) in incarnaties ontstaat, wordt de Vader der Grootheid om hulp gebeden. (Op deze plaats in de kosmologische Christologie van het Manicheïsme worden de vijf Lichtvaders beschreven, die ditmaal niet in de eerste plaats een scheppende, maar een verlossende functie hebben.) De Vader “roept” de makrokosmische Jezus de Roemrijke of de Derde Gezant (als de tweede Lichtvader) en deze roept” ten eerste de Zuil der Heerlijkheid, ten tweede Jezus de Zonneglans (als de derde Lichtvader) en ten derde de twaalf Lichtmaagden of de Sophia (3e Schepping). Doordat het hemelgewelf gedraaid wordt, worden het Rad van de Maan, van de Zon en van de Zodiak als de omwenteling der sferen in beweging gezet. Jezus de Roemrijke geeft aan de Grote Bouwmeester de opdracht om de Nieuwe Lichtaarde te bouwen, waarin tot aan het einde der tijden de gevallen Lichtdelen verzameld kunnen worden. Jezus de Roemrijke is verantwoordelijk voor het makrokosmisch destillatieproces (R. Merkelbach) van het Licht van de Wereldziel uit de bezielde duisternis van de materie. Door het makrokosmisch bevrijdingsuurwerk worden de Lichtdelen hier op aarde door het Rad van de Zodiak eerst overgeheveld op het Rad van de Maan; deze transporteert de Lichtdelen vervolgens naar het Rad van de Zon, die deze Lichtdelen ten slotte tot in de Nieuwe Lichtaarde verheft.

De androgyne Jezus de Roemrijke toont vanuit het Lichtschip van de Zon aan de mannelijke Archonten zijn vrouwelijk beeld, waardoor zij in hun begeerte de verslonden Lichtziel vrijgeven. Van dat gedeelte van deze Lichtziel dat nog verontreinigd is gebleven, wordt de plantenwereld gevormd. Vervolgens toont hij aan de vrouwelijke Archonten zijn mannelijk beeld, waardoor ook zij in hun begeerte de Lichtziel vrijgeven door vroeggeboorten die het dierenrijk vormen. Dit is een beeld voor de gedachte dat, (geestelijk-evolutionair gezien,) de dieren als vroeggeboren mensen beschouwd kunnen worden. Doordat de Archonten begrijpen dat door de omwenteling der sferen in het verloop van de tijd uiteindelijk al het Licht dat zij verlangen te behouden, zal worden uitgered, verhinderen zij dit door van de al hen beschikbare Lichtdelen de ziel van Adam en Eva te vormen, die opgesloten is in het lichaam, dat echter door het mannelijk en vrouwelijk beeld van Jezus de Roemrijke, dat de Archonten hebben geschouwd, is gevormd. Het ligt in het scenario van de Archonten om Adam en Eva tot voortplanting te brengen, met de bedoeling dat de Lichtziel oneindig wordt opgesplitst en door het isolerend egoïsme van de mensen niet meer uitgered zou kunnen worden. Maar doordat in de Manichesche Kephalaia heel duidelijk vermeld wordt dat het feit dat Jezus de Roemrijke zich aan de Archonten openbaarde, door de Vader zo bedoeld is, omdat de mensheidsgeneraties door Hem worden gewild, doet de gedachte ontstaan dat de werkzaamheid van het kwaad door de voorzienigheid tot een bepaalde hoogte wordt toegelaten. Dat de voortplanting een kwaad is, wordt duidelijk doordat de electus de gelofte van onthouding heeft afgelegd, en dat de voortplanting is toegelaten, wordt duidelijk door het feit dat de katechumeen de gelofte heeft afgelegd (Tardieu) zijn of haar huwelijkspartner niet te verlaten. Dat het kwaad wordt toegelaten, relativeert opnieuw het verondersteld Manichesch radicaal dualisme van goed en kwaad, omdat het kwaad in een bepaald opzicht zelfs dienstbaar is aan de bedoelingen van de Vader der Grootheid. Het kwaad vervult vanuit zijn eigen doeleinden de functie van de verplintering van de algemene mensheidsziel in de fysieke wereld, zonder te weten dat dit betekenis heeft voor de doeleinden van de Voorzienigheid met de mensheid om de algemene mensheidsziel tot individuatie (E. Roll) te brengen.
Daardoor is de opvatting (m.i.) onjuist dat het lichaam volgens de Manicheeërs louter als negatief beoordeeld moet worden. In de Kephalaia wordt het lichaam een afbeelding van de vermengde makrokosmos genoemd en het lichaam heeft als geestelijke vorm het Beeld Gods van Jezus de Roemrijke in zich verweven. Het lichaam is een heiligdom, waarin de “graal” geplaatst is die de Sophia openbaart (CMC Bd. 19. p. 17). In het lichaam heeft de mikrokosmische mens een makrokosmische opdracht te vervullen: de overwinning op het Kwaad door de liefde van het Goede is van de makrokosmos in de mikrokosmos verlegd, opdat de overwinning van het Goede op een hoger niveau gebracht kan worden in de mens. De Archonten hebben de vijf Lichte elementen met hun psychische en pneumatische eigenschappen in de lichamelijke kwaliteiten van huid, beenderen, zenuwen, vlees en aderen gevangen genomen. Hierdoor is de Lichtziel in een toestand van bewusteloosheid gebracht en heeft de mens niet de vrijheid om te kiezen tusen goed en kwaad.

Daardoor daalt Jezus de Zonneglans (als emanatie van Jezus de Roemrijke) in een geestlichaam tot Adam af en openbaart hem de Gnosis betreffende zijn afkomst en natuur, waardoor zijn pneumatische vermogens: Beslissing, Intuïtie, Gedachte, Overweging en Verstand gewekt worden. Jezus de Zonneglans brengt deze Gnosis, als archetype en mogelijkheidsvoorwaarde voor de transmutatie van de ziel in de toekomst, als ziele-arts: de vijf Lichte elementen (met de psychische en pneumatische componenten) wordt als de Nieuwe Mens uit de lichamelijke kwaliteiten bevrijdt en de vijf Duistere elementen (met hun psychische en pneumatische componenten) worden als de Oude Mens in de lichamelijke kwaliteiten gebonden. Door de verrijzenis van de Nieuwe Mens komen de vitale kwaliteiten Heilige Geur, Leven, Kracht, Schoonheid en Licht vrij, (die door de vijf Zonen van de Levende Geest tijdens de bevrijding van de Oermens aan de Lichtelementen waren toegevoegd,) die gezamenlijk het transcendente Ik in de mens vormen, die in Jezus, die “het Ik in het Licht-ik van alle wezens” wordt genoemd, zijn onsterfelijke oorzaak vindt. Dit transcendente Ik is ook verbonden met een engelwezen: de Lichtgestalte (de vijfde Lichtvader) als een emanatie van de Heilige Geest of Licht-Nous (de vierde Lichtvader). Deze transmutatie is echter principieel en niet fundamenteel. De mens moet deze genade, die de hedendaagse mens door de Heilige Geest (als emanatie van Jezus de Zonneglans) geschonken kan worden, nog verwerkelijken door de psychische eigenschappen: Wijsheid, Liefde, Geloof, Geduld en Volmaaktheid, tot bloei te brengen en met de pneumatische vermogens waakzaam te zijn dat de duistere eigenschappen: Domheid, Haat, Ongeloof, Toorn en Duisternis (met hun pneumatische componenten), niet opnieuw macht over hem krijgen.

De makrokosmische strijd die aanvankelijk op het niveau van de Lichte en Duistere elementen plaatsvond, is in de mens een mikrokosmische strijd geworden op een psychisch en pneumatisch hoger niveau. De Manicheers hebben gezegd dat de overwinning op het kwaad een teken is dat het hoogste Licht symboliseert. Impliciet lijkt hier een tweede aspect van de Manichesche theodicee zichtbaar te worden, waardoor de existentie van het kwaad t.o.v. de volmaakte Vader gerechtvaardigd kan worden: als het goede op een hoger ontwikkelingsniveau komt doordat het goede het kwaad op een hoger niveau overwint, dan zou dit de reden geweest kunnen zijn dat het kwaad met de schepping van Adam en Eva in de mens is toegelaten. Dit roept zelfs de vraag op of de inbreuk van de Satan in de Lichtaarde van begin af aan niet in de Voorzienigheid heeft gelegen, met als reden dat deze inbreuk het contemplatieve Goede tot aktiviteit
brengt, omdat het genoodzaakt wordt het Kwaad te overwinnen, waardoor het Goede zich door de werelden mensheidsontwikkeling uiteindelijk tot het hoogste Licht kan ontplooïen.

Doordat Jezus de Zonneglans de Gnosis aan Adam heeft geopenbaard, is hierdoor, sinds de zondeval die met de voortplanting van Eva met één van de Archonten is ingetreden, Jezus het Kind, (als een emanatie van Jezus de Zonneglans,) een innerlijke hoedanigheid van de menselijke Lichtziel geworden, die in de mens het verlangen naar verlossing doet ontstaan.
Waarschijnlijk mede doordat de zondeval een degeneratie van de geestelijke vorm van het lichaam als het Beeld Gods met zich heeft meegebracht, daalt Jezus de Zonneglans in de godsgestalte van de Zuil der Heerlijkheid in het jaar dertig van onze jaartelling tot de aarde af en neemt daar een menselijke gestalte aan. Met Jezus de Zonneglans, die met de Maan verbonden is, is de makrokosmische Jezus de Roemrijke, die met de Zon verbonden is, consubstantieel geheel verbonden, waardoor de Manicheeërs ook spraken van Jezus de Zonne-Maangod (E. Rose). Jezus de Zonneglans werd door die inwerking van Jezus de Roemrijke, de Zoon van de Vader als de tweede persoon van de Triniteit genoemd. Omdat de Manicheeërs gezegd hebben dat Jezus de Zonneglans niet geboren is als de zoon van Maria en zij diens kosmische grootheid geaccentueerd hebben, is altijd aangenomen dat Jezus Christus in de Manichesche opvatting alleen in een geestlichaam op aarde is gekomen en van daaruit alleen simuleerde een menselijke gestalte te hebben aangenomen, zonder een fysiek lichaam te bezitten.

Ik heb evenwel door een onderzoek van de Manichesche teksten verschillende redenen gevonden, waarom ik geloof dat deze docetische opvatting onhoudbaar is. In zowel de westerse als de oosterse teksten wordt helder beschreven dat Jezus Christus gekruisigd is en werkelijk fysiek geleden heeft. Kustaios, een direkte leerling van Mani, zegt dat alle Lichtapostelen in het vlees fysiek geleden hebben; ook de historische Jezus die de bijzondere status van de Verlosser heeft. Bovendien wordt in de Psalm van Heracleides, die ook een direkte leerling van Mani was, duidelijk dat er een verschil is tussen de fysieke toestand van Jezus Christus vóór de Opstanding en de vergeestelijkt-fysieke toestand van Jezus Christus ná de Opstanding: Maria Magdalena herkent haar geliefde Meester aanvankelijk niet; zij denkt dat Hij de tuinman is. Als er sprake zou zijn van een docetische Christus, dan zou er ook sprake zijn van een docetische opstanding die geen werkelijke transsubstantiatie is, maar een gesimuleerde dood (en opstanding); want een docetische Christus kan niet sterven en daardoor ook de dood niet overwinnen en het lichaam door de opstanding niet vergeestelijken. Een docetische Christus is daardoor vóór en ná de Opstanding precies dezelfde: Maria Magdalena zou geen enkele moeite hebben gehad Hem direkt te herkennen. Doordat aan de ene kant wordt gesteld dat niet de Zoon van de Levende God, maar de zoon van Maria heeft geleden en aan de andere kant wordt vermeld dat de gekruisigde Messias de zoon van Maria is, doet het vermoeden ontstaan dat in de Manicheïsche opvatting Jezus Christus bestaat uit de tweeheid van de historische Jezus als Lichtapostel en de bovenzinnelijke Jezus de Zonneglans, die zich met deze Lichtapostel verbindt. Deze tweeheid van Jezus en Christus, vinden we ook terug bij Alchasaios, de inspirator van de Elchasaïten, die Mani als een voorloper van zichzelf beschouwde (en waarvan onderzocht kan worden of hij niet dezelfde is als Skythianos uit de Acta Archelai). De Manichesche bisschop Faustus verklaart tegenover Augustinus dat het adoptianisme, [de opvatting dat de goddelijke Christus tijdens de doop in de Jordaan Jezus adopteert en daarin tot mens wordt,] in de Manicheïsche Christologie heel aannemelijk is. Ook in de Afzweringsformule wordt het adoptianisme in de Manicheïsche Christologie genoemd. De uitspraak in [o.a.] de Kephalaia: “Jezus de Zoon van de Vader der Grootheid heeft een menselijke gestalte aangenomen” (net vóór het moment dat Hij zijn apostelen uitverkiest), kan binnen de Manichesche terminologie niet anders begrepen worden dan dat de Zoon van de Vader in een menselijk lichaam incarneert, precies in dezelfde betekenis zoals van Mani gezegd wordt dat “hij een wereldse gestalte heeft aangenomen”.
Doordat Jezus de Zonneglans in de Lichtapostel Jezus mens is geworden en door die menswording met Jezus Christus identiek verklaard werd, is ook de Opstanding niet zonder betekenis. Het is niet onwaarschijnlijk dat de Manicheeërs geleerd hebben dat het oorspronkelijke lichaam waarin, zoals bij Adam, de vormgevende kracht van het Beeld Gods nog verweven was, maar dat door de zondeval degenereerde, door de Opstanding van het fysieke lichaam van Jezus Christus vergeestelijkt is tot dat oorspronkelijke Beeld Gods. Daarnaast heeft Jezus Christus door dood en Opstanding het Licht onder en om de aarde gebracht en de kosmische Zuil der Heerlijkheid in het middelpunt van de aarde geplaatst. Deze Zuil der Heerlijkheid verbindt als een kosmische Lichtzuil de aarde met het Lichtschip van de Maan, het Lichtschip van de Zon en de Nieuwe Lichtaarde of het Nieuwe Jeruzalem. Deze Zuil der Heerlijkheid is de geestelijke gestalte van Christus, waarin al zijn leerlingen die de Lichtziel tot bloei gebracht hebben, ná de dood worden opgenomen en daarin van Jezus de Grote Rechter, een emanatie van Jezus de Zonneglans, een opstandingsgestalte als de afbeelding van de opstandingsgestalte van Jezus Christus ontvangen. Hierdoor wordt de Zuil der Heerlijkheid ook de Volmaakte Mens genoemd, waarin de totale geïndividualiseerde en bevrijde mensheid de gestalte van de Christus is.

De Zuil der Heerlijkheid heeft ook een belangrijke functie voor de bevrijding van Jezus Patibilis in de natuurlijke kosmos. Behalve in de mensen, is in het uitspansel, de wolken, de dieren, de bomen, de planten, het water en het gesteente, het Woord Gods of de Lichtziel van de Oermens te vinden, die hieraan de edele eigenschappen verleent. De Manicheeërs hadden daardoor de grootste eerbied voor de schepping en legde de gelofte af, als “het zegel van de rust van de handen”, om geweldloos en zorgvuldig de natuur te behandelen in het diepgaande medelijden met Jezus Patibilis. Ook onthielden zij zich van het eten van vlees, omdat dit de Lichtziel van het dier nog sterker aan het lichamelijke zou binden. Op het Bêma-feest werden aan de electi tijdens het celebreren van Christelijke hymnen, door de Katechumenen graan en vruchten aangeboden, waarvan de Lichtziel, door de veranderde stofwisseling van de electus, via zijn of haar hoofd als een offerkelk in de Zuil der Heerlijkheid kon worden opgenomen. Bisschop Faustus sprak over dit Manichesche Sacrament van het Laatste Avondmaal in nog veel breder verband, omdat voor de Manicheeër iedere waarneming en handeling als een vorm van sacramentalisme ten aanzien van de lijdende Jezus beschouwd kan worden. De morele betrokkenheid op Jezus Patibilis is het helpen bevrijden van Jezus Patibilis. De Manichesche natuurfilosofie was erop gericht om de “Grote Gedachte” in de natuur intuïtief te begrijpen, om met geestelijke begrippen de natuur te verlossen. Faustus stelde dat de krachten van de Heilige Geest, [die tot de opgestane Christus herleid kunnen worden,] als de aetheromtrek van de aarde, Jezus Patibilis in de natuur tot geboorte brengt, waaruit geconcludeerd kan worden dat de aarde het lichaam van de Christus is. Het Manicheïsme heeft in dit opzicht geen ontkennend gnostische, maar een Christelijke wereldopvatting.

Als de mensheid talloze incarnaties heeft doorlopen met de mogelijkheid om door de openbaringen van de Lichtapostel in de wereld de Nieuwe Mens in zich te verwerkelijken, verschijnt aan het einde der tijden Jezus de Zonneglans in de godsgestalte van de eschatologische Jezus als collectieve Wereldrechter. De eschatologische Jezus, (een emanatie van Jezus de Zonneglans,) was al ná de dood van de individuele mens als Grote Rechter opgetreden om te oordelen in welke mate medelijden en waarheid individueel ontwikkelt waren, getoond door de individuele Lichtgestalte en drie engelen, als criterium voor wel of geen verdere incarnatie met het specifieke doel om de Oude Mens uiteindelijk te overwinnen. Na de Grote Strijd, waar de mensen elkaar verliezen, breekt er een periode aan waarin de Manicheïsch-Christelijke Kerk in iedere stad tot bloei komt. Aan het einde der tijden incarneren ook de bevrijde electi. Één van de electi zal de Antichrist op zijn plaats terugwijzen. Opvallend is de uitspraak dat de demonen zich in dienst van de eschatologische Jezus stellen (Shâbuhragân): het Kwaad kan blijkbaar volgens de Manicheeërs worden omgevormd, wat te-gelijkertijd kan betekenen dat het Kwaad aan de aanvang niet anders dan een substantile omvorming is van het ene Goede. Jezus de Wereldrechter stelt de vraag wie Hem eten gegeven heeft, toen Hij honger had, waardoor een scheiding voltrokken wordt tussen electi, katechumenen en vrienden van Katechumenen, die in het Nieuwe Jeruzalem in de geestelijke status van een engel, worden binnengetild en degenen die in het kwaad verhard zijn en daardoor niet de wil en de mogelijkheid bezitten in het Nieuwe Jeruzalem te worden opgenomen. Door een Wereldbrand wordt ook Jezus Patibilis van de gehele natuur in het Laatste Beeld tot opstanding gebracht en door de hemelvaart het Nieuwe Jeruzalem binnengevoerd. Wat achterblijft is de Globus Horribilis waarop het Kwaad zich teruggetrokken heeft en op welk oppervlak de verharde mensen wonen die de tweede dood als de dood van de vegetatieve ziel hebben ondergaan.
Dit is het postwereldlijke aeonisch tijdperk van de Vierde Grote Nacht. Deze is nu wederom gescheiden van het postwereldlijke aeonisch tijdperk van de Vijfde Grote Dag als het Nieuwe Jeruzalem. Ik heb een hoofdstuk in de Kephalaia [Kap. 39] gevonden, (die de hypothese van Roll wetenschappelijk onderbouwen kan,) waarin namelijk beschreven wordt dat er ná dit aardetijdperk nog drie Grote Dagen tot ontwikkeling komen, waarvan het Nieuwe Jeruzalem de eerste zal zijn en in hetzelfde hemelniveau gebouwd wordt als het tijdperk van de pre-kosmische Maan, de tweede in hetzelfde hemelniveau gebouwd zal worden als het tijdperk van de pre-kosmische Zon en de derde het hoogste hemelniveau zal blijken te zijn, waarin de twaalf Grote Goden hun verblijf hebben. Hierdoor zijn er in totaal zeven Grote Dagen en vier Grote Nachten. In de Manicheïsche Homiliën

wordt ook gesproken van zeven werelden. In dit opzicht is er een karakteristieke overeenkomst met de wetenschap van de geheimen van de ziel van Rudolf Steiner, waarin de zeven aeonische wereldtijdperken: Saturnus, Zon, Maan, Aarde, Jupiter, Venus en Vulcanus, op basis van geesteswetenschappelijk onderzoek behandeld worden.
Na deze scheiding tussen Licht en Duisternis in de Manicheïsche apocalyps, is er een wezenlijke verandering ten opzichte van de scheiding van Licht en Duisternis aan het begin van de Manicheïsche mythe. De Satan is vrijwillig zijn graf ingegaan (Fihrist), wat een demonstratie is voor het feit dat uiteindelijk door het liefde-offer van de Oermens de macht van de Duisternis is gebroken. Doordat de liefde de dualiteit van goed en kwaad en licht en duisternis overbrugt, kent het Manicheïsme ethisch en ontologisch gezien uiteindelijk een gematigd dualisme. In een fenomenologische wezensreductie blijkt het grondmotief van de hele Manichesche mythe te zijn de overwinning van het Kwaad door de liefde, doordat het Goede zich zonder wezensverlies met het Kwaad vermengt. Dit is het Manicheïstische principe van de liefde. Dit Manicheïsch grondmotief is een Christelijk grondmotief, want de Manicheers hebben de kruisdood van Jezus Christus een zelfde liefde-offer genoemd, (om de Duisternis uiteindelijk te beteugelen,) als de afdaling van de Oermens in de oertijd door hen een liefde-offer genoemd werd. De Manicheïsche mythe is daardoor een kosmologische Christologie, waarbij de Oermens en Jezus Christus, die beiden de Zoon van de Vader als de tweede persoon van de Triniteit worden genoemd, (m.i.) beschouwd kunnen worden, in vergelijking met Johannes 1, als zelfstandige personificaties van het scheppende Woord Gods, waardoor alle dingen geworden zijn en het verlossende Woord Gods, dat vlees geworden is om het zijne te redden.

In het Manicheïsme staat de liefde centraal: de Vader der Liefde openbaart zich in Zijn Zoon die het liefde-offer volbrengt; de Lichtapostel offert zich voor de mensheid, omdat er geen grotere liefde bestaat dan die, dat iemand sterft voor zijn naaste (Johannes [15: 13]). En de Manicheeër geeft bewijs van de genade van de Heilige Geest in zoverre de liefde in iedere handeling doorwerkt en hij bidt voor zijn vijanden.

Het Manicheïstische principe van de liefde is nog steeds een actueel ethisch beginsel te noemen, zoals bijvoorbeeld zichtbaar werd bij de Russische filosoof Wladimir Solowjow toen hij de verdeeldheid in de Christelijke Kerk wilde opheffen door zich zowel met de eenzijdig Katholieke, als met de eenzijdig Grieks-Orthodoxe Kerk te verbinden; en bij de Birmese (Nobelprijs-winnares) Aung San Suu Kyi, doordat zij geen gebruik heeft gemaakt van haar vrijheid om het land te verlaten, maar het huisarrest heeft aanvaard om in geweldloosheid bij haar onderdrukte en repressieve volksgenoten te blijven. En de wijze waarop de Indiase filosoof Krishnamurti voorstelt om de bewustzijnsfenomenen angst, geweld en egoïsme, niet normatief van bovenaf te onderdrukken, maar met zorgzame aandacht in deze fenomenen zèlf af te dalen, waardoor zij van binnenuit begrepen kunnen worden en daardoor in die ongedeelde waarneming kunnen versterven, is een toepassing te noemen in het eigen bewustzijn van het liefde-offer van de Manicheïsche Christus.

Bibliografie:
J.P. Asmussen, Manichaean Literature, Scholars’ Facsimiles & Reprints, Delmar, New York, 1975.
J.P. Asmussen und A. Böhlig, Die Gnosis-Dritter Band: der Manichäismus in Die Bibliothek der alten Welt Reihe Antike und Christentum opgericht door Karl Hoenn, Artemis Verlag, Zürich und München, 1980.
En-Nadim, Fihrist in Mani, seine Lehre und seine Schriften van G. Flügel, 1862 in de nieuwe druk door Biblio Verlag in Osnabrück van 1969.
Hegemonius, Acta Archelai, uitgegeven door Ch. H. Beeson, J.C. Hinrichs Buchhandlung, Leipzig, 1906.
A. Henrichs en L. Koenen, Der Kölner Mani-Kodex in Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik, herausgegeben von Engelmann, Hagedorn, Kassel, Koenen en Merkelbach, Rudolf Habelt Verlag GMBH, Bonn, Band 5, 8, 19, 32, 34, 44, 48, 58, en 66 van 1970 t/m 1986.
H. Jonas, The Gnostic Religion, Beacon Press, Boston, 1958 in de Nederlandse vertaling: Het Gnosticisme, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1969.
Kephalaia, Band I, Manichäische Handschriften der staatlichen Museen Berlin, onder leiding van C. Schmidt uitgegeven door W. Kohlhammer Verlag, Stuttgart, 1940.
Londoner chinesische Hymnenrolle in Die Stellung Jesu im Manichäismus van E. Waldschmidt en W. Lentz, Nr.
4 in Abhandlungen der Preussischen Akademie Der Wissenschaften, Jahrgang 1926, PhilosophischHistorische Klasse, Verlag Der Akademie Der Wissenschaften, Berlin, 1926.
A Manichaean Psalm-book, Part II, uitgegeven door C.R.C. Allberry, M.A. uit de verzameling van A. Chester Beatty, Verlag von W, Kohlhammer, Stuttgart, 1938.
Manichäische Homilien, (waarin de Preek van de Grote Strijd is opgenomen,) uitgegeven door H.J. Polotsky uit de verzameling van A. Chester Beatty, Verlag von W. Kohlhammer, Stuttgart, 1943.
R. Merkelbach, Mani und sein Religionssystem, Westdeutscher Verlag GmbH, Opladen, 1986.
E. Roll, Mani der Gesandte des Lichts, J.C. Mellinger Verlag, Stuttgart, 1976.
E. Rose, Die manichäische Christologie, Wiesbaden, Harrossowitz, 1979 (volledig herziene uitgave van 1937).
R. van Vliet, Het Christelijke grondmotief in het Manichesme. Theodicee, adoptianisme en dualisme in de Manicheïsche kosmologie, Christologie en ethiek, doctoraalscriptie, Amsterdam, 1994.
M. Tardieu, Le Manichéisme, Presses Universitaires de France, Paris, 1981.
G. Widengren, Mani und der Manichäismus, W. Kohlhammer Verlag, Stuttgart, 1961

(Dit artikel van Roland van Vliet verscheen eerder in: Prana nr. 140, dec. / jan. 2004)

Reacties zijn gesloten.