De waarheid als de samenvatting van alle waarheden

Het is altijd een oorzaak voor oorlog en verdeeldheid in de wereld geweest als de waarheid verabsoluteerd wordt en de ander wordt opgelegd. Je krijgt het gevoel dat het in onze tijd van belang is, en tot in de verre toekomst van belang zal zijn om de verschillende waarheden met elkaar te verbinden om tot levende waarheid te komen. De moderne mens heeft sterker dan ooit het vermogen om waarden uit verschillende geestelijke stromingen in de zelfgekozen ontwikkeling met elkaar te integreren. Het is het wezenskenmerk van het existentialisme geweest om de vraag te stellen, zoals Kierkegaard (1813–1855) deed: ‘Wat is de waarheid voor mij?’ Descartes (1596–1649) ontdekte in het denken het Ik: ‘Ik denk, dus ik ben,’ en in het postmoderne denken wordt afstand gedaan van de ‘grote verhalen’ van de machtige ideologieën om het eigen persoonlijke verhaal te kunnen vertellen. In het postmoderne denken is echter een nieuwe eenzijdigheid ontstaan: de neiging om de waarheid te relativeren of om de waarheid onbenoembaar terug te voeren tot het transcendente. Het is mijns inziens de grote verdienste van Rudolf Steiner dat hij in zijn filosofische denken het absolutisme op moderne wijze overwint zonder dat hij daarmee de waarheid zelf verloren laat gaan. Zo komt hij tot de uitspraak: ‘De waarheid is de harmonie van alle waarheden.’ Dit heeft hij geconcretiseerd in zijn idee van de twaalf filosofische waarheidsperspektieven en zeven filosofische zielestemmingen die hij in deze – hier in het Nederlands vertaalde – voordrachten heeft beschreven. Vanuit het hermetische principe ‘zo boven, zo beneden’ heeft hij het menselijke denken begrepen vanuit de twaalf dierenriemtekens en de 7 planeten, waardoor 84 denkmogelijkheden ontstaan.
Toen ik filosofie studeerde waren er een groot aantal studenten die de grote differentiatie aan opvattingen in de filosofie niet meer konden verdragen en besloten om een konkrete wetenschap te gaan studeren. Ik had zelf het gevoel dat de waarheid een kristal is met vele facetten, maar het was niet eenvoudig om vanuit het denken de heel verschillende standpunten met elkaar te verbinden. Het was voor mij in die tijd een grote vreugde om deze voordrachten te leren kennen; immers daardoor werd het mogelijk om het verschil van opvattingen niet alleen vanuit het historisch perspektief van het ontwikkelende denken van de mensheid te begrijpen, maar deze te verklaren als 12 – of zelfs 84 – perspektieven om de werkelijkheid te kunnen verstaan. Ik denk dat Steiners idee van de 12 – of 84 – waarheidsperspektieven de volgende mogelijkheden opent:

  1. De mogelijkheid om je eigen waarheidsperspektief te kennen en in je biografie van het denken te kunnen konstateren waar je een sprong van het ene naar het andere waarheidsperspektief gemaakt hebt. Het eigen waarheidsperspektief valt niet noodzakelijkerwijs samen met het sterrenbeeld bij de geboorte.
  2. De mogelijkheid om je in te leven in het waarheidsperspektief van de ander en dit als een reële aanvulling te zien op het eigen waarheidsperspektief. Zo kan het denken sociaal worden, als er de bereidheid is het eigen waarheidsperspektief niet als absoluut te poneren, maar om het flexibel en open te houden: de sociale kunst van het denken. Door deze vorm van denken kan de verdraagzaamheid een intelligente vorm aannemen.
  3. In het denken dat de twaalf waarheidsperspektieven in een volkomen samenhang wil samenvatten, is het mogelijk de Christus als de dertiende in het denken te beleven. Vanuit het standpunt van de dertiende kan de werkelijkheid in een grotere volledigheid worden begrepen. Door ook blijvend of tijdelijk een denkgemeenschap te vormen waarin bewust de twaalf waarheidsperspektieven door twaalf mensen worden vertegenwoordigd, kan in een sociale vorm de Christus in het midden van de gemeenschappelijke denkaktiviteit werken.
    Zo kan een lerarenteam vanuit de twaalf waarheidsperspektieven komen tot beeldvorming van een leerling (of een klas).
    Voor deze praktische toepassingen, heb ik twaalf onderzoeksvragen gevonden die uit de twaalf waarheidsperspektieven die Rudolf Steiner beschrijft, geëxtraheerd zijn. Ook geef ik een voorbeeld hoe je één gebeurtenis, begrip, wezen, ding of zaak zou kunnen beschrijven vanuit de twaalf waarheidsperspektieven. Ik kies hier als voorbeeld het begrip ‘denken’. Hoe ziet ieder van de twaalf waarheidsperspektieven het denken van de mens? Verder heb ik de twaalf onderzoeksvragen als voorbeeld geconcretiseerd voor het onderwijs om tot een zo volledig mogelijk beeld te komen t.a.v. de pedagogische beeldvorming van de leerling, t.a.v. de didactische structuur van het onderwijs en t.a.v. van de didactische kwaliteiten van het leraarschap.

Ik beschrijf nu de twaalf filosofische waarheidsperspektieven en geef daarbij voorbeelden van filosofen. Je zou hierover van mening kunnen verschillen; het gaat immers vaak om een subtiel afwegingsproces. Ik doe dat vanuit zes polariteiten of tegenstellingen, die steeds in het midden tot synthese gebracht kunnen worden. Ook formuleer ik de onderzoeksvragen.

Spiritualisme en materialisme

De polariteit is hier geest en materie.

1. Het spiritualisme. Het spiritualisme is de filosofische positiekeuze om de gehele werkelijkheid te begrijpen als bestaande uit de kwaliteiten van verschillende geestelijke wezens. Zelfs de materie is als een bijzondere vorm van de geest te beschouwen. Als voorbeelden zijn te noemen: Plotinus (3e eeuw v.Chr.), Valentinus (2e eeuw) en Dionysius de Areopagiet (5e eeuw). Plotinus zei dat uit het Ene de Wereldgeest is geëmaneerd of ‘uitgevloeid’. Uit de Wereldgeest de Wereldziel en uit de Wereldziel het Wereldlichaam of de materie. Het Ene heeft de hoogste en de materie heeft de laagste zijnsgradatie. Materie is een niets aan Geest. Valentinus zegt in de Pistus Sophia dat het geestelijke wezen Sophia begeerde om de oergrond te kennen. Christus leerde haar uiteindelijk dat dit onmogelijk is. De begeerte van de Sophia heeft zich evenwel verzelfstandigd en is de materie waarop wij lopen. De aarde is de bevroren geestelijke begeerte van de Sophia. Dionysius de Areopagiet heeft geschreven over de negen engelhiërarchieën met daarboven de Triniteit. Het is kenmerkend voor het spiritualisme dat de goddelijke wereld gedifferentieerd wordt beleefd en gekarakteriseerd. Het spiritualisme staat in het teken van Steenbok, die op verticale wijze de hoogte en diepte van berg en dal beschouwt.
– De onderzoeksvraag is: welke geest werkt door in dat wat ik onderzoek?
– Voorbeeld: het denken is een schouwend vermogen om intuïtief de geestelijke wereld te kennen.
– Pedagogisch: Wat zegt ons het engelwezen van de leerling?
– Didactische structuur: Geestelijke wezens in de zijnscategorieën: welke muze van inspiratie hoort bij dit onderdeel?
– Didactische kwaliteiten: Denken, spreken en handelen vanuit inspiratie, meditatie in het handelen.

2. Het materialisme. Het materialisme is de filosofische positiekeuze om de gehele werkelijkheid te begrijpen als bestaande uit de verschillende vormen en geaardheden van de materie. De geest van de mens is het resultaat van fysieke krachten. Voorbeelden zijn: Demokritus (470–360 v.Chr.), Lamettrie (17e eeuw), Carnap (20e eeuw)en Dennett (20e eeuw). Demokritus ervoer de gehele werkelijkheid als de val van de atomen die op verschillende wijze een aantrekkingskracht op elkaar uitoefenen (volgens Epikurus [341–270 v.Chr.] bestaan zelfs de goden uit een bijzondere fijnstoffelijke vorm van atomen). Lamettrie ontkende de ziel van de mens toen hij in de koorts ervoer hoezeer het lichaam de geest bepaalt. Carnap ontkent alle metafysica en wil alleen dat als waar erkennen dat in een natuurwetenschappelijke taal te formuleren is. Daniel Dennett is de moderne wetenschapsfilosoof die zegt dat de een termometer een bewustzijn heeft en dat het menselijke bewustzijn vergelijkbaar is met een computer. De mens heeft geen ziel, geest of Ik. In de kwantummechanika is de eigenlijke identiteit van het materialisme al overwonnen: er is in de diepte van de materie geen analogie met de oppervlakte van de materie; er is geen atoom in ondoordringbare hardheid en duurzaamheid, maar deeltjes en straling wisselen elkaar op onvoorspelbare momenten af. Het materialisme staat in het teken van Kreeft, die een hard pantser aan de buitenkant vormt, waardoor het innerlijke verborgen blijft, en zijwaarts naar achteren loopt, als de uitdrukking van de neiging om alles te verklaren vanuit de fysieke kausaliteit van het verleden.
– De onderzoeksvraag van het materialisme is: wat is de geaardheid van de materie (of de gezondheid van het lichaam)?
– Voorbeeld: het denken is een zenuwreflex van het lichaam.
– Pedagogisch: Hoe werken erfelijke krachten in deze leerling?
– Didactische structuur: Facilitaire materiaalkeuze.
– Didactische kwaliteiten: Zorg voor de materie, hygiëne.

Spiritualisme en materialisme zijn in hun uiterste eenzijdigheden absolutismen van het denken. De vraag vanuit het midden is: hoe kun je zowel aan de geest als aan de materie een zelfstandig bestaan toekennen in een geestelijk-fysieke werkelijkheid? Steiner heeft dit zelf in zijn antroposofie gedaan: hij verbond daarin zijn geestelijke kennis over de engelhiërchieën met de idee dat het menselijke zelfbewustzijn en de vrije wil pas mogelijk zijn geworden door het materieel-lichamelijke bestaan van de ziel van de mens. Interessant is dat de volgende te bespreken tegenstelling: realisme en idealisme, die horizontaal op de verticale tegenstelling van materialisme en spiritualisme staat, als zodanig al in deze kompositie het evenwicht tussen geest en materie verzorgt (en ook omgekeerd). Realisme en idealisme hebben beide al een geestelijk-fysieke beschouwingswijze, en daarmee de synthese die in de tegenstelling materialisme en spiritualisme gezocht kon worden. Dat geeft het belang aan om de twaalf filosofische perspektieven geïntegreerd vanuit het wiel van de zodiak te verstaan.

Realisme en idealisme

De tegenstelling van het gewordene en het wordende of van verleden en toekomst. Dit is niet de tegenstelling van (de geestelijke of materiële geaardheid van) de substantie, maar van de tijd.

3. Realisme. Het realisme is de filosofische positiekeuze om de feitelijke situatie van de werkelijkheid, die vanuit het verleden is te verklaren, te beschrijven vanuit waarnemen en denken. De oordeelskracht van Aristoteles (384–322 v.Chr.), die mens en natuur indeelde in (tien) kategorieën, is realisme te noemen. Ook de ontologie of de leer van het zijn, zoals in een moderne vorm bij Heidegger (20e eeuw) tot uitdrukking is gekomen, is realisme. Als het aksent op het (geestelijke) denken komt te liggen, dat kunnen we spreken van het begrippenrealisme dat in de universaliastrijd in de middeleeuwen verwoord was. Het ging hier om een doorwerking van het platonische denken: de leeuw is een uitdrukking van het oerbeeld of de idee van de leeuw. Ooit heeft in het verleden de schepper de leeuw geschapen naar het al aanwezige oerbeeld van de leeuw. Als het aksent op het waarnemen komt te liggen, ontstaat het nominalistische standpunt in de universaliastrijd: de leeuw is alleen maar een abstrakte naam die de vooral fysieke realiteit van de leeuw in het denken weerspiegelt. Het realisme in onze tijd heeft de kenmerken van het tweede aksent en wordt vertegenwoordigd door Dilthey (1831–1911) in zijn historisme; door Foucault (20e eeuw) in zijn strukturalistische geschiedbeschrijving (door een dwarsdoorsnede van een bepaalde tijd te maken); door Derrida (20e eeuw) en later door Wittgenstein (1899–1947) die gedachten terugbrengen tot zuiver gevormd taalgebruik. Het realisme staat in het teken van de Weegschaal dat het evenwicht tussen denken en waarnemen symboliseert.
– De onderzoeksvraag is: hoe beoordeel ik deze feitelijkheid of zijnssituatie?
– Voorbeeld: het denken beoordeelt de feitelijkheid van het denken.
– Pedagogisch: In welke situatie bevindt zich de leerling?
– Didactische structuur: Wat is de beginsituatie?
– Didactische kwaliteiten: Kennis van de ontwikkelingen uit het verleden.

4. Het idealisme. Het idealisme is de filosofische positiekeuze om met geestelijke ideeën expliciet de werkelijkheid te kreëren of te veranderen. Als voorbeelden zouden genoemd kunnen worden: Plato (427–347 v.Chr.), Hegel (1770–1831), Fichte (1762–1814) en de Russische filosoof Solovjof (1853–1900). Hoewel we Plato al hebben genoemd ten aanzien van het begrippenrealisme, kun je tegelijkertijd zeggen dat het verlangen (Eros) dat Plato noemt om de sluimerende herinneringsbeelden van de ideeën in de ziel (tot het te vormen denklichaam) tot bewustzijn te brengen, een idealistisch waarheidsperspektief is. Daardoor ben ik geneigd om te
zeggen dat Plato een realist is die door zijn idealistische inslag al op weg is naar het midden van de as van de tegenstelling realisme en idealisme. Want de filosofen kun je mijns inziens ook een bepaalde plaats geven op de as van de tegenstelling. Hegel stelde in zijn ‘Phänomenologie des Geistes’ (‘Fenomenologie van de Geest’) dat de Absolute Geest in de zelfbeweging kwam om tot zelfbewustzijn te komen. Dit was mogelijk door het geheel andere als spiegel te vormen: de wereld en de mensheid. In de menselijke geschiedenis; in religie, kunst en filosofie komt de Absolute Geest uiteindelijk tot bewustwording van zichzelf (in de filosofie van Hegel). Deze hele zelfbeweging van de Absolute Geest is idealisme pur-sang. Rudolf Steiner noemt in deze voordrachten Fichte in relatie tot het idealisme en het psychisme. Mij dunkt dat het eerste heel kenmerkend is voor Fichte. Fichte spreekt over het Absolute Ik van de mens, dat in zichzelf de oneindige wil tot morele zelfvervolmaking is. Daardoor heeft het Absolute Ik weerstanden nodig om zich te kunnen verwezenlijken. Daarom brengt het Ik de wereld voort. De wereld geeft de weerstanden om het goede te kunnen doen, als mijn plicht. Het radikaal boze bij Fichte is het je afhankelijk maken van de weerstanden, die je immers zelf voorbewust hebt gekreëerd om de wilskracht van het goede mogelijk te maken! Dit is de sterkste vorm van idealisme: de wereld wordt zelfs voor de verwerkelijking van de idealen gekreëerd! Solovjof heeft een openbaring van de Sofia gehad en vanuit dit spiritualistische uitgangspunt komt hij tot het grootse idealistische perspektief om de Sofia in de chaos van de ziel en de samenleving en in de kunst te realiseren. Het is heel begrijpelijk dat het idealisme in het teken van Ram staat.
– De onderzoeksvraag is: welke idee (ideaal) schept of verandert de werkelijkheid hier?
– Voorbeeld: het denken is de idee van het scheppende Ik in het denken.
– Pedagogisch: Wat zijn de wordingsimpulsen (verborgen en expliciete idealen) van dit kind?
– Didactische structuur: Wat zijn de idealen, de doelstellingen en het toekomstperspectief van de school?
– Didactische kwaliteiten: Intuïtie voor wat in de toekomst gedaan moet worden. Improvisatie, experimentele houding, scheppende wil vanuit idealen. Poëzie.

In het boek De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner is mijns inziens de synthese van het realisme en het idealisme beschreven: door waarnemen en denken kom je tot een situationeel begrip; vanuit het levende denken kom je tot morele intuïties om in deze situatie tot een handeling te komen die de situatie verandert.

Sensualisme en pneumatisme

De polariteit van de zintuiglijke en bovenzintuiglijke waarneming. Sensualisme en pneumatisme staan naast het materialisme en het spiritualisme. Het eerste tweetal betreft de (geestelijke of fysieke) substantie, het tweede tweetal betreft het waarnemend beleven van de substantie.

5. Het sensualisme. Het sensualisme is de filosofische positiekeuze om de werkelijkheid te begrijpen vanuit het volledige zintuiglijke beleven van de werkelijkheid. Het materialisme heeft zekerheid over het feit dat de materie bestaat. Het sensualistische waarheidsperspektief heeft deze zekerheid niet; de enige zekerheid is de werkelijkheid van de zintuiglijke indrukken zelf. Het sensualisme is de filosofische stroming die zintuiglijke ervaringen als de realiteit beschrijft. Het denken ondersteunt alleen deze beschrijvende aktiviteit. In het impressionisme is niet de fysieke werkelijkheid, maar de volledige zintuigindruk met overstralend licht en neveldamp geschilderd. Zo kent ook het sensualisme onzekerheid over het bestaan van de fysieke werkelijkheid. Het kan alleen de zintuigindrukken als werkelijk ervaren. Voorbeelden: het hedonisme (het streven naar lustervaringen), het utilitarisme (een handeling is goed als dat zoveel mogelijk mensen lust of geluk oplevert) en de Engelse empiristen Locke (1632–1704), Hume (1711–1776) en Berkeley (1684/5–1753). Voor Locke is de mens bij de geboorte ‘a white paper avoid of characters’ die door de ‘sensation’ of zintuiglijke ervaringen wordt beschreven. De enkelvoudige ideeën zijn alleen een afbeelding van de zintuigindrukken in het denken. Voor Hume is het onzeker of er een kausale relatie bestaat tussen iemand die een bal werpt en het feit dat de bal verderop in het gras belandt. Alleen de waarnemingen van de verschillende fasen van de vliegende en in het gras zichtbare bal zijn werkelijk. Berkeley legt zo’n nadruk op de subjektiviteit van de waarneming, dat hij uiteindelijk het fysieke bestaan van de werkelijkheid geheel ontkent: ‘esse est perceptia’, zijn is het waargenomen zijn. Als je de lantaarnpaal ziet, is deze er; wanneer je je rug ernaar toe draait is deze verdwenen. Het sensualisme staat in het teken van de Leeuw, die een koning der dieren is omdat hij het gehele landschap waarneemt en dit vanuit de warmte van de begeerten in zichzelf samenvat.
– De onderzoeksvraag is: wat zegt de volheid van mijn zintuigen hier?
– Voorbeeld: het denken is het beschrijven van de zintuiglijke waarneming en de denkimpressies.
– Pedagogisch: Beschrijving van het zintuiglijke beeld van de leerling?
– Didactische structuur: Welke hulpmiddelen kunnen worden gebruikt?
– Didactische kwaliteiten: Aanspreken van de zintuigen. Beeldhouwkunst.

6. Het pneumatisme. Het pneumatisme is de filosofische positiekeuze die de gehele werkelijkheid begrijpt als het gevoelsmatige of mystieke beleven van de alomvattende geest (pneuma is geest) waaruit alles voortkomt en dat alles doordringt. Waar het spiritualisme de nadruk legt op de verscheidenheid van de geest in een veelheid van wezens, legt het pneumatisme de nadruk op de eenheid van de geest. Het is een filosofisch denken gebaseerd op het innerlijke beleven van het licht van de geest. Voorbeelden zijn Boeddha (560–480 v.Chr.), Cusanus (1401–1464)) en Krishnamurti (1895–1986). Boeddha spreekt over non-dualiteit en het uiteindelijke beleven van het nirwana in innerlijke stilte. Hierdoor kun je het gehele universum beleven. (Het is evenwel ook mogelijk te zeggen dat Boeddha de mystieke zielestemming [Venus] heeft in psychisme [Vissen], van waaruit hij het leed van de wereld ervoer. Cusanus spreekt over God als de ‘coïncidentia oppositorium’ of de eenheid van de tegenstellingen. Krishnamurti stelde dat alleen een ongefragmenteerde geest vanuit het zuivere gewaarzijn het onmetelijke kan beleven. Het pneumatisme staat in het teken van Waterman, die het water des levens uitgiet dat alles met alles verbindt en alles in een eenheidsstroom doordringen en omhullen kan.
– De onderzoeksvraag is: hoe handelt hier de Geest?
– Voorbeeld: het denken is het beleven van het geestelijke licht van het Werelddenken van de Geest.
– Pedagogisch: Wat is de geestelijke gestalte van de leerling?
– Didactische structuur: De kreatie van de (ziele-)sfeer.
– Didactische kwaliteiten: De geestelijk-morele intentie vanuit de geest. Religieuze intentie en ongedeelde aandacht schenken. Tegenwoordigheid van geest.
Rudolf Steiner heeft sensualisme en pneumatisme in een synthese gebracht door uit te gaan van twaalf zintuigen (naast de vijf bekende zintuigen ook nog het levens-, bewegings-, evenwichts-, warmte-, woord-, gedachte- en Ik-zintuig) als een uitbreiding van het sensualisme die alle vergeestelijkt kunnen worden tot bovenzinnelijke zintuigen, zoals het uiterlijke zien tot het imaginatieve zien en het uiterlijke horen tot het inspiratieve horen.

Het fenomenalisme en het psychisme

De tegenstelling van het uiterlijk waargenomen en innerlijk beleefde wezen. Het is ook de polariteit objektiviteit–subjektiviteit. Tussen zintuiglijke waarneming en begripsrealisme, staat de mogelijkheid om het wezensbegrip in de waarneming te vinden: fenomenalisme. Tussen bovenzinnelijke gevoelswaarneming (pneumatisme) en het idealisme, staat de mogelijkheid om ideëel uit te gaan naar de ziel of het wezen van de ander die innerlijk meegevoeld kan worden: psychisme.

7. Het fenomenalisme. Het fenomenalisme is de filosofische positiekeuze om door middel van een onbevooroordeelde en onbevangen waarneming de werkelijkheid zo te karakteriseren dat het wezenlijke dat tot verschijning is gekomen, kan worden gekend. De fenomenoloog heeft het vertrouwen dat het wezenlijke de geestelijke vormkracht is, om met Aristoteles te spreken die hiervoor het theoretisch fundament heeft gegeven, die de materie heeft vormgegeven. Het beschrijven van het fenomeen kan daardoor leiden tot het beschrijven van het wezen dat daarin tot uitdrukking is gekomen. De fenomenoloog kent een zo zuiver mogelijke distantie tot het kenobjekt, waardoor je moet zeggen dat je het wezen uiterlijk aanschouwt, ook al betreft het een bewustzijnsfenomeen. Het zuivere voelen kan ook als waarneming begrepen worden. Voorbeelden zijn: Goethe (1749–1832), Husserl (1859–1938) en Scheler (1874–1928). Goethe heeft door zijn prismaonderzoek naar de kleuren gevonden dat er sprake is van twee wezens die in hun vermenging de kleuren vormen: het oerfenomeen van het licht en het oerfenomeen van de duisternis (rood is licht vanuit het duister, en blauw is duister vanuit het licht). Ook vond hij voor de plantenwereld als het oerbeeld ‘het blad’ (het kroonblad is hiervan een metamorfose) en voor de gewervelde dieren als oerbeeld ‘de wervel’ (de schedel is een metamorfose van de wervel). Husserl was een bewustzijnsfenomenoloog en beschrijft de intenties van het bewustzijn in denken, voelen, willen en waarnemen. Uiteindelijk komt hij tot het wezen van alle intenties of van het bewustzijn zelf: de subjekt-objekt-relatie: ‘ik heb altijd bewustzijn van iets’. Max Scheler beschrijft fenomenologisch de waarden en zegt dat de liefde geen gevoel, maar een geïntendeerde waarde en daardoor een aktiviteit van het Ik is. Door het fenomenalisme kunnen ook alle andere denkperspektieven beschreven worden en tot hun wezen worden teruggevoerd. Het fenomenalisme is vooral een kenmethode. Het teken waarin het fenomenalisme staat is de Maagd, die zuiver en zorgvuldig het andere uit zichzelf laat spreken, zonder persoonlijke toevoegingen.
– De onderzoeksvraag is: hoe kan ik in deze uiterlijke verschijningsvorm het wezenlijke karakteriseren?
– Voorbeeld: het denken is het waarnemen van het denken.
– Pedagogisch: Hoe metamorfoseert (organisch-zielsmatig) de leerling kind zich?
– Didactische structuur: Aanbod van natuurkennis in de vorm van karakteriserend beschrijven.
– Didactische kwaliteiten: Spreken vanuit verwondering. Organisch voortbouwen. Schilderen.

8. Het psychisme. Het psychisme is de filosofische positiekeuze om de gehele bezielde werkelijkheid te beleven aan en in het eigen bezielde wezen en dat tot begrip te brengen. In het psychisme beleef je gevoelsmatig het bezielde wezen van de ander aan en in het eigen wezen. Niet vanuit een objektieve distantie, maar subjektief verbonden met het andere, wordt het wezen van het andere innerlijk gekend. Hierdoor kan de filosofie van het lijden en het medelijden ontstaan. Dit is de intersubjektieve verbinding met de ander in het ideaal van de ontmoeting. Waarheid ontstaat door de inlevende liefde tot het kenobjekt, waardoor je het kenobjekt aan je subjekt beleeft. Dit is de intuïtieve verbinding met het kenobjekt. Voorbeelden: Mani (216–276), Schopenhauer (1788–1860) en Lévinas (20e eeuw). Mani heeft vanuit een spiritualistisch standpunt het psychistische perspektief ingenomen in zijn filosofie om te komen tot medelijden met de lijdende Jezus in ieder mens en wezen van de natuur. Ook brengt hij de christelijke ethiek: je in liefde met het kwade te verbinden zonder het te zijn, om het daardoor te kunnen omvormen. Schopenhauer beschrijft het wereld leed; hoe de mens lijdt aan zijn wil en alleen bevrijding van deze wil kan voelen in de askese en het aanschouwen van kunst. Schopenhauer identificeerde de wil met de begeerten. Lévinas nodigt de mens uit zozeer de blik van de ander toe te laten, waarin je het oneindige wezen van de ander voelen kunt, dat daardoor al je beperkte totaalbeelden van de ander wegvallen. Het psychisme staat in het teken van Vissen, die in de alles doordringende zee meevoelen met elkaar, meevoelen met de Wereldziel.
– De onderzoeksvraag is: wat zegt mijn voelen als ik mij in dit bezielde wezen inleef?
– Voorbeeld: het denken is de intuïtieve liefdesbetrekking van het denken tot het denkobjekt.
– Pedagogisch: Wat zijn de zielegebaren en de wezensdeugden van de leerling?
– Didactische structuur: Aanbod van biografieën. Dramatische kunst.
– Didactische kwaliteiten: Inlevend spreken. Empathie. Meeleven met het wereldgebeuren.
Rudolf Steiner heeft in zijn scholingsweg, die de moderne kunstenaar Joseph Beuys in vier vormen van het denken samenvat, fenomenologie en psychisme tot synthese gebracht. Eerst werk je fenomenologisch in het waarnemende denken, dat de vormzijde karakteriseert, en in het denkende denken, dat de levende (gefaseerde) ingezette ontwikkeling van deze vorm imagineert. Daarna is er sprake van een psychistische vorm van (fenomenologisch) onderzoek: in het voelende denken, dat zich voelend inleeft in het andere, om inspiratief het zielegebaar van het andere te kennen, en in het willende denken, dat zo in liefde verenigd is met het andere dat de wilsintentie of wezensdeugd van het andere intuïtief als de eigen wilsintentie of wezensdeugd kan worden gekend.

Het rationalisme en het dynamisme

De polariteit van het apollinische denken en de dionysische wil. Dit is ook de tegenstelling van licht en donker. Tussen de samenhang van het denken (mathematisme) en de wilskracht van de idealen om de toekomst te vormen (idealisme) staat het begrijpen van de kwalitatieve ordening van de werkelijkheid en de handelingsprincipes: rationalisme. Tussen de geestelijke eenheden (monadisme) en het zijn (realisme) staat het begrijpen van de werkelijkheid als geestelijk-fysieke krachten: dynamisme.

9. Het rationalisme. Het rationalisme is de filosofische positiekeuze om de gehele werkelijkheid te ordenen in een samenhang en hiërarchie van begrippen. Het rationalisme – of de rede in de mens – zoekt een kwalitatieve ‘rangorde’ van begrippen en geeft ook een morele bepaling voor het handelen. Voorbeelden: Heraklitus (6e eeuw v. Chr.), Sokrates (470–400 v.Chr.), Spinoza (1632–1677) en Habermas (20e eeuw). Heraklitus noemde als hoogste idee de Logos of de Wereldrede (of scheppende Woord) die in het vuur van zijn liefde alles heeft gekreëerd en in het terugtrekken van zijn liefde (haat) de materie heeft laten ontstaan. Sokrates onderzoekt voortdurend – feitelijk vanuit het denklicht van Apollo: ‘Mens, ken uzelf!’ – de kwaliteit van de filosofische begrippen in verhouding tot elkaar. Spinoza denkt uit de rede, die de werkelijkheid ordent en begrijpt als modifikaties van de ene substantie of God of Natuur. Tegelijkertijd ordent de rede de emoties, zoals zijn Ethika laat zien. Habermas heeft in zijn Theorie van het kommunikatieve handelen een rationalistische opbouw en samenhang van begrippen geven die leiden tot de morele bepaling van de machtsvrije dialoog. Rationalisme staat in het teken van Stier, die de vruchtbaarheid versymboliseert van de tot woord geworden rede.
– De onderzoeksvraag: door welke ideeën of mentaliteit wordt de werkelijkheid geordend?
– Voorbeeld: het denken is het (ordenende) denken over het (voortgebrachte) denken.
– Pedagogisch: Wat is de mentaliteit en het gedragspatroon van de leerling?
– Didactische structuur: Ordening van de leerstof in volgorde en ritme.
– Didactische kwaliteiten: Samenhangend denken en geven van overzichten.

10. Het dynamisme. Het dynamisme is de filosofische positiekeuze om de gehele werkelijkheid te begrijpen als een samenstel van (geestelijk-fysieke) meer of minder verborgen krachten. Het dynamisme spreekt over de wil van de mens die sterker is dan het denken. Voorbeelden zijn: Machiavelli (1469–1527), Hobbes (1588–1679), Nietzsche (1844–1900), Eduard von Hartmann (1842–1906), Bergson (1859–1941), William James (1842–1910) en Dewey (1859–1952). Machiavelli koppelt moraliteit en funktionaliteit los in zijn beschrijving van de machthebber; het gaat erom hoe de machthebber zijn macht behouden kan. Hobbes stelt dat de mens geneigd is tot de oorlog van allen tegen allen; de mens is de ander tot wolf. Nietzsche heeft de vereniging gezocht tussen het apollinische denken en de dionysische wil en gevoelsbeleving. Door zijn strijd tegen het eenzijdig apollinische denken van onze kultuur in wetenschap, religie en moraliteit, heeft hij de kracht van de dionysische wil versterkt. Hij spreekt dan over de wil tot macht, die bij de heerser openlijk werkte en in de pachter in het verborgene en tot ressentiment of verborgen wraakzucht werd. De Zarathoestra is de mens die ‘het menselijke, al te menselijke’ overstegen is en de wil tot macht tot de kracht van de zelfontworpen waarden in een veelheid van wilsperspektieven maakt. De fasen daarvoor zijn: 1. dat de geest een kameel wordt om kultuurwaarden (apollinisch) in zich op te nemen; 2. dat de geest (dionysisch) tot leeuw wordt in het met de wil zelf kiezen van waarden en 3. dat de geest tot kind wordt om de gekozen waarden zo natuurlijk te worden zoals een kind natuurlijk is. Als voorbeeld voor dit laatste stadium geeft Nietzsche dan de dichter Mirabeau: ‘Hij vergaf niet meer want was (het) al vergeten’; de hoogste ontvouwing van de vergeving – hier komt de meest innerlijke nervatuur van het christendom bij Nietzsche naar boven – zonder enig ressentiment vooraf. Von Hartmann spreekt over het absoluut onbewuste van de mens; de voorbereiding voor het freudiaanse denken, dat zegt dat de mens geheel bepaald wordt door de libido. Bergson begrijpt de gehele werkelijkheid als de tijdsstroom of de ‘duur’ die evolutionair haar innerlijke doelen verwerkelijkt. James stelt in zijn pragmatisme de vraag naar de nuttigheid van de waarheid: nut, waarde en succes zijn de kriteria van de waarheid. Dewey is hierin zelfs volledig instrumentalistisch; het denken is alleen instrument voor het handelen. Het dynamisme staat in het teken van Schorpioen, de vanuit het onbewuste werkende krachtsimpuls die ook zichzelf vernietigen kan. De hogere oktaaf van de schorpioen is de adelaar van Johannes: de hoogste geestkracht.
– De onderzoeksvraag is: welke krachten werken hier?
– Voorbeeld: het denken is de bepalende kracht van de wil in het denken.
– Pedagogisch: Wat zijn de driften, de levenkrachten en het temparament van de leerling?
– Didactische structuur: Aanwakkeren en flexibel gebruikmaken van de krachten die er zijn.
– Didactische kwaliteiten: De wil motiveren. Werken met een ongefragmenteerde en creatieve wil.Vitaal onderwijs. Krachtig, volledig (vanuit het hele mens-zijn) en dramatisch (met gebaren) spreken. Dans. Orde houden.

Het rationalisme en het dynamisme zijn tot een hogere synthese gebracht door Johannes de Evangelist (1e eeuw), die zich in Efese aansloot bij het denken van Heraklitus en gesteld heeft dat de Logos bij God is, dat de Logos het leven en het licht der mensen is en dat de Logos vlees is geworden bij de doop in de Jordaan. Hierdoor is de mens geworden Logos (in de terminologie van Rudolf Steiner) de Christusimpuls geworden, die aan de ene kant de Heilige Geest brengt en aan de andere kant, vanuit de diepten van de menselijke wil, de wilsaktiviteit van de liefde geboren kan laten worden, waarover ook Nietzsche sprak.

Het mathematisme en het monadisme

De polariteit van verhouding en identiteit, of de polariteit van relatie en Ik. Tussen materialisme en rationalisme staat het mathematisme, dat niet de geaardheid van de materie, maar de natuurwetten tot objekt van onderzoek heeft en dat niet de kwalitatieve begrippen, maar de kwantitatieve begrippen als haar domein heeft. Tussen dynamisme en spiritualisme staat het monadisme, dat niet het krachtenveld van de wilsperspektieven, maar de individuele streefrichting benadrukt en dat niet de veelheid van geestelijke wezens, maar het Ik als individuele geest als haar domein heeft.

11. Het mathematisme. Het mathematisme is de filosofische positiekeuze dat de gehele werkelijkheid verklaren wil vanuit getalsmatige verhoudingen. Het mathematisme gaat uit van het vertrouwen van de mathematische struktuur van de werkelijkheid zelf. Dit laat bijvoorbeeld de gulden snede in de natuur zien. William Blake schilderde de Godheid met een passer. Zo is het wiskundige denken dan in overeenstemming met de werkelijkheid. Voor Plato was de wiskunde als zintuigvrij denken een voorbereiding op het intellectuele schouwen van de Ideeën. Voorbeelden: Pythagoras (580–500 v.Chr.), Descartes (1596–1649) en de vroegere Wittgenstein. Voor Pythagoras waren de getallen de bouwstenen van het universum. Eén is het grootste getal omdat daarmee het gehele universum wordt uitgedrukt. Twee is het getal van de tegenstelling. Hiermee krijgen de (kwantitatieve) getallen een filosofische kwaliteit. (Ook Thomas van Aquino (1225–1274) stelde dat het mogelijk is om met het getal één te tellen omdat ieder zijnde door het Ene in ieder zijnde te onderscheiden is van het andere.) Descartes heeft het coördinatenstelsel uitgevonden en heeft in zijn filosofische doordenking van de zekerheid in de kennis – zoals ook Spinoza heeft gedaan – gebruik gemaakt van het wiskundige denken. Ieder begrip moet net zo als in de wiskunde ‘clair et distinct’ zijn. Vanuit een logische analyse kan hij ook twijfelen aan de betrouwbaar van de kennis dat God bestaat en die de zintuigen geven. Hij kan evenwel niet twijfelen aan het feit dat hij twijfelt: cogito ergo sum. Wittgenstein heeft in zijn ‘logisch filosofisch traktaat’ een logische waarheidstaal ontwikkelt, zodat de gewone taal omgezet kan worden in de formele taal van de logica, om door middel van bijvoorbeeld waarheidstafels te kunnen aantonen wat geldige redeneringen zijn. In de wiskunde kan steeds een nieuwe taal ontwikkelt worden: de verzameling N voor de natuurlijke getallen, maar bijvoorbeeld de verzameling Z voor de negatieve getallen. Het mathematisme staat in het teken van Tweeling, het getal één kan verdubbeld worden en daardoor de kwaliteit van het tellen verkrijgen. Het is ook het wezen van verbinding, dat in het mathematisme verhouding is.
– De onderzoeksvraag is: wat is de harmonie of de verhouding in deze kompositie?
– Voorbeeld: denken is logisch denken.
– Pedagogisch: Hoe verkeert de leerling in harmonie en communicatie met de wereldomgeving?
– Didactische structuur: Regelgeving en de uiteindelijke harmonie op alle gebieden in het curriculum.
– Didactische kwaliteiten: Structurerend en synergetisch. Muziek en sociale kunst.

12. Het monadisme. Het monadisme is de filosofische positiekeuze om de gehele werkelijkheid te begrijpen als verschillende bewustzijnstoestanden van Ik-eenheden. Een monade is een eenheid in zichzelf. Het monadisme beschouwt de mens als een monade met een eigen geest of voorstellingsleven en eigen streefrichting. In het monadisme kan de menselijke vrijheid vanuit het zelfbewustzijn worden beschreven. Voorbeelden zijn: Bruno (1548–1600), Leibniz (1646–1716) en Sartre (20e eeuw). Bruno sprak over de Godheid als de monade der monaden. Het universum is een monade die direct uit de monade der monaden is voortgekomen. Bruno werd verbrand omdat hij zich kon voorstellen dat er nog een tweede universum als monade was. Leibniz stelde dat monaden punten, krachten, zielen en individuen zijn. Hij stelde ook dat er verschillende soorten monaden zijn: lagere monaden met een slapend of dromend bewustzijn, zoals dingen, planten en dieren, en hogere monaden met de wakkerheid van het menselijke bewustzijn. De monaden hebben een voorstelling en een streefrichting, maar ze zijn volgens Leibniz zonder vensters. De samenwerking met andere monaden is door de Godheid al bij de schepping in de monaden gelegd. Sartre is mijns inziens ook een monadist, omdat hij het menselijke bewustzijn als een eenheid beschouwt. Hij zegt dat het bewustzijn een niets aan (substantieel) zijn is en daardoor de mogelijkheid heeft om het zijn (begripsmatig) te kennen. Het bewustzijn heeft ook geen aangeboren essentie in zich: de mens moet zijn eigen essentie of geheel van waarden zelf vormen. De mens is niet het zijn van het karakter, omdat het bewustzijn nooit samenvalt met het zijn. Je bent te kwader trouw als je zegt ‘ik ben nu eenmaal zo,’ want je hebt altijd de mogelijkheid je met het bewustzijn hiervan te transcenderen. Je bent ‘veroordeeld’ tot vrijheid. Door het reflektieve denken kun je je eigen beperking leren kennen en tegelijkertijd waarden en idealen ontwerpen om een bijdrage te leveren aan de samenleving. Met de medemens ben je intersubjektief verbonden, waardoor je voor de samenleving mede verantwoordelijk bent. Het bewustzijn bij Sartre is een zelf-reflektief bewustzijn dat als zodanig een monade te noemen is. Hier is het monadisme bij uitstek vrijheidsfilosofie. Ook het boek De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, dat een brug slaat tussen realisme en idealisme, staat in zichzelf in het monadisme. Monadisme staat in het teken van Boogschutter, die vanuit zijn eigen voorstellingsvermogen zijn idealen bepaalt.
– De onderzoeksvraag is: wat is de streefrichting van deze Ik-eenheid?
– Voorbeeld: het denken vormt het vrije zelfbewustzijn als denkeenheid.
– Pedagogisch: Wie is de leerling? Wat is de wezenlijke streefrichting (levensdoel) van de leerling?
– Didactische structuur: De wezenlijke identiteit en missie van de school.
– Didactische kwaliteiten: Het Ik aanspreken op authenticiteit, het maken van keuzes en verantwoordelijkheid in het vrije handelen.

De hogere synthese van mathematisme en monadisme wordt mijns inziens gevormd door dat wat Rudolf Steiner noemt: sociale kunst (en sociale driegeleding) of gemeenschapsvorming op basis van de vrijheid van het individu. De monaden komen in een harmonische verhouding tot elkaar.

Het kruis

Binnen het kruis van het verticale spiritualisme en materialisme en het horizontale idealisme en realisme doen zich nog de volgende karakteristieken voor: pneumatisme en psychisme zijn gevoelsperspektieven in het denken. Rationalisme en mathematisme zijn expliciet denkperspektieven. Sensualisme en fenomenalisme zijn waarnemingsperspektieven in het denken. Dynamisme en monadisme zijn wilsperspektieven in het denken.

Nog grotere differentiatie

De differentiatie wordt nog veel groter als je vanuit zeven verschillende zielestemmingen aan een bepaalde wereldbeschouwing op een menselijke wijze kleur kunt geven: gnostisch (Saturnus); streven naar geestelijke kennis, logicistisch (Jupiter); de wil om tot samenhangend denken te komen, voluntaristisch (Mars); het willen beleven van de wilskracht, empirisch (zon); alles willen ondervinden, mystiek (Venus); het verlangen in de innerlijkheid te verkeren, transcendentalistisch (Merkurius); de wil om in de verschijningsvorm het wezenlijke te ontdekken, en okkult (maan); de wil om het verborgene achter de sluiers te kennen. De twaalf waarheidsperspektieven geven de inhoud van het denken aan. De zeven zielestemmingen geven aan hoe je denkt. Dat geeft al 84 mogelijkheden om tot waarheid te komen en om tot een gemeenschappelijk geïntegreerde waarheid te komen.

Ook kan men, wat ik met kunstenaars op de kunstakademie heb getracht, de kunst vanuit deze 84 mogelijkheden leren begrijpen, zoals bijvoorbeeld:

  • Occultisme in Spiritualisme: Jeroen Bosch
  • Mystiek in Materialisme: Richard Long (stenen uit de Himalaya in een cirkel)
  • Voluntarisme in Idealisme: Joseph Beuys (sociale kunst)
  • Empirisme in Realisme: Edward Hopper (‘Nighthawks’: Amerikaanse samenleving)
  • Transcendentalisme in Sensualisme: William Turner
  • Mystiek in Pneumatisme: Yves Klein (‘Monochrom Blue’)
  • Logicisme in Fenomenalisme: Mondriaan (verticaal-horizontale composities)
  • Gnosticisme in Psychisme: Redon
  • Logicisme in Rationalisme: Joseph Kosuth (conceptuele kunst)
  • Voluntarisme in Dynamisme: Lucebert, Karel Appel, Picasso
  • Transcendentalisme in Mathematisme: Bob Bonies (constructivisme met kleurvlakken)
  • Logicisme in Monadisme: Kandinsky

 
Met de twaalf waarheidsperspektieven en de zeven zielestemmingen van het denken kan op een moderne manier de waarheid als de harmonie van alle waarheden genaderd worden.

Reacties zijn gesloten.